Op verzameldagen van gedachten knoop ik Arial aan mijn vingers en sla ik woorden uit blokjes op een scherm.
Mijn vader moest het zien...
Fel geïnteresseerd in vooruitgang, hield hij van gadgets en nieuwe techniek.
Hij zou nu weten hoe de plek heet waar ik die woorden opsla. Ik niet.
Hoogstens open ik een map, geef ik mijn schrijfsels een naam (dus ja, ik vind ze heus wel terug), en duw ik op een toets die ze opslaat, maar vraag mij niet hoe die 'archiefdoos' heet.
Ik heb eigenlijk ook geen zin in chips en ander jargon dat met computers te maken heeft.
Als mijn gedachten maar veilig zitten.
Voor de rest denk ik: 'Het zal me worst wezen, hoe die dingen heten!'.
Maar mijn vader, die sprak toen al in pixels, wist alles over het nieuwste Canon fototoestel, en verfoeide onze zwart-wit tv die hopeloos ouderwets was geworden, en dat in slechts enkele maanden tijd.
Jawel. Want -plots- kon je, ook in de huiskamer, kijken in kleur!
Hij leefde met, in zijn hoofd, de droom een (toen hele dure) kleurentelevisie bijeen te sparen om ons samen aan te vergapen op lege zondagmiddagen.
'Maar Lou, we zijn nooit thuis op zondag!', opperde ons ma nog, en ze loog niet...
Op zondag gingen we op bezoek of kwam er bezoek. Of we trokken het bos in of naar zee.
Het vooruitzicht van de nieuwe tv maakte voor mijn zus en mij de beleving van toekomstige zondagen draaglijker.
We puberden en haatten de strakke zondagse kleren die bij de voormiddagse kerkdienst hoorden en pas 's avonds, na de plichtplegingen thuis of elders, konden uitgegooid.
Namiddagen voor de tv konden wellicht in jeans en t-shirt. Zo dachten we.
Helaas.
In de hete zomer van 1976 sloten de meest open ogen op de wereld die ik kende.
Ze waren helderblauw, als van de hemel waarin ik hem wenste.
Het duurde nog ettelijke jaren vooraleer we weer zin hadden in tv-vertier...
Op dagen waarop ik me verlies in verzen en mezelf poëtisch waan, vertalen mijn vingers gezwind bedenkingen naar zinnen.
Ik ben er niet altijd happy mee.
Tussennoot: Het is trendy om af en toe een Engels woord te gebruiken, beweert men tegenwoordig. Het maakt, unfortunately, het boenwaslaagje op het (fineer geworden)hout overbodig...
Vroeger bekladde ik heelder cursusblokken met bic-balpennen of met korte Zweedse potloden, 'geërfd' uit bezoeken aan de IKEA waar fineer zowaar het zaakje domineert.
Ik schreef 'des nachts', zonder licht, om hubby niet te storen in zijn snurk-aria of REM-slaap.
Ik krabbelde een eind weg, op ingebeeld gelijnd papier, dat écht in mijn handen lag, en 's morgens was het benieuwd ontcijferen wat de slaapdronken geest had uitgekotst.
Niet zeldzaam primeerde de verwondering.
Alsof een nachtelijk automatisch schrijfinstrument dichterlijke Vlaamse, soms ook Franse zinnen citeerde, als: 'Et je l'ai baisé, comme si c'était la dernière fois'.
OMG! Had ik dit bedacht en geschreven..?
Ik herkende evenwel mijn schrift niet.
Balpennen hebben de neiging dienst te weigeren wanneer je ze -punt omhoog- hanteert.
Daar zijn ze ook niet voor gemaakt, om in ligtoestand, en in het zwart, denkbeeldige lijnen te beschrijven.
Zo zag ik inktloze woorden gedrukt in papier.
Groefjes. Meer niet. Maar wel leesbaar.
(Ook hier kon het Zweedse potlood af en toe soelaas brengen. Zachtjes de groeven grijzen, maakte de letters meer leesbaar.)
Uiteindelijk koos ik voor het altijd presterende potlood om blind te schrijven.
Punt omhoog, punt omlaag... Het ding doet wat het moet.
Nog steeds ligt de Sint-Laurens cursusblok, die ik destijds veel te duur betaalde om mijn kinderen te laten deelnemen aan het katholieke schoolgebeuren, binnen handbereik op de plankenvloer in de slaapkamer, maar nu met een fineliner die ook nooit dienst weigert en de woorden iet of wat duidelijker aflijnt.
Geen woord staat ooit op een lijn, maar dat heeft verder geen belang.
Al jaren wordt het Zweedse potloodje bij de IKEA-kassa netjes weer ingeleverd. Voor hergebruik. Ook dat is weer heel trendy.
Men noemt het recycling.
Je kunt zowat alles recycleren, tegenwoordig.
De kringloopwinkels staan er vol mee.
En zo zag ik onlangs, op de Retrodag, een oude tv staan.
Exact hetzelfde Philips zwart-wit exemplaar, met teakhouten paneel, dat zo hard in mijn herinnering is bewaard en waar we afscheid van namen, toen we moesten verhuizen nadat mijn vader stierf...
En ja. De beelden kwamen terug.
Met z'n vieren in de keuken van het oude huis.
Vader in de zetel. Ik op zijn schoot.
Zus, die ouder was, op een stoel naast de tafel.
En moeder, ons Moesje, ook op een stoel, en die een eindeloos buffet van fruit uit de tuin voor ons schilt, terwijl we ons vergapen aan 'La séquence du spectateur', de Franse actualité cinématographique op TF 1.
Nu zou men spreken over 'trailers'.
En we zouden potato chips eten.
Mijn vader ook. O ja. Met zout vermoed ik, alleen al omdat het hem destijds verboden was.
En we zouden kijken naar zwart-wit films, omdat de beelden vaak cinematografisch veel scherper en kunstiger waren, en zo nostalgisch...
En ik zou nog één keer op zijn schoot kruipen,
en kijken,
en ruiken,
en luisteren naar zijn warm kloppend hart.
maandag 19 maart 2018
dinsdag 13 februari 2018
'Valentijnen'
Mijn lief,
Deze dag houdt een werkwoord in.
We zouden moeten 'Valentijnen'
ofte: bewijzen met offers hoezeer de
liefde nog brandt...
Maar laat ons afstand nemen van de
obligate bos bloemen,
als zogezegde 'token of love',
of van de gedoodverfde zin: 'Ik zie je
graag'.
Want het is zo,
ik kijk graag naar je,
(En meer. Veel meer...)
maar moet dat vandaag dan gezegd...?
Laat ons gewoon 'zijn', zoals altijd,
zoals elke morgen, middag en avond
weer,
(én nachten)
met onze dagelijkse knuffelingen en
strubbelingen,
maar met,
telkens weer,
die aanbiddende kijk en glimlach
erbovenop.
Het is goed zo.
Ons samen-leven heeft geen nood aan
commercie,
aan rode harten in goedkope pluche, of dure lingerie...
(Hooguit is er nood aan een nieuwe kleuren tv, want die is oud.)
Zit nu maar naast me,
aan jouw kant van de zetel,
en dit keer mag je smakken
of slurpen
als goedkoop cadeautje voor deze 'dag der verliefden'.
(Je mag zelfs je keel weer honderd keer schrapen als je wil, en ik doe dan alsof het me niet irriteert.)
Laat ons maar toegeven,
wat wij hebben is onbetaalbaar...
Dat kan niet gezegd in één dag.
zaterdag 7 oktober 2017
Voor haar
En nu
schreeuwt mijn huid om haar hand,
wil ik
haar adem happen,
en
snappen hoe haar glimlach troost,
in ogen
en mond
in
eeuwigdurend houden,
in
houden van haar
zij die
in alles liefde stak.
En dan
braakt de morgen licht
opnieuw
en
smeekt het hoofd om schaduw,
met
wassende regen
en wind
in
stormige gedachten
maar ook
in odes aan haar,
vol
bloemen,
zij die
dwingt om door te gaan
omdat
zij -gewoonweg- liefde was.
En toen
die kloppende leegte vol heimwee...
Nog
steeds wil ik kind zijn
en
slapen in de armen van mijn moeder.
dinsdag 4 augustus 2015
Hoe je ging...
En dag
kantelt, zomaar, naar nacht.
Zo
plots.
Met
open ogen,
wellicht
nog het laatste beeld
verstard
gedoofd
(of misvormd?) door een volle traan
de
laatste nog
die
het vuur smoort
en
droogt
heel
langzaam
zo
tergend pijnlijk langzaam
op
haar verkillende, nog warme huid
Daar stierven ze
haar
woorden
gesmoord
in bloed en al
en
ongesproken...
maar jarenlang gezwegen en gedacht
gevoeld
ook
in
handen, en mond, en grote armen
in
adem die niet sprak maar altijd gaf...
En zij
zij
kijkt (in mijn hoofd) naar mij
en
weet
mijn
kind heeft heimwee
Elk moment weer...
maandag 6 oktober 2014
1914 - 1918
Nu de tijd grijst, moeten zij herdacht worden.
Het oorlogsmonument op de markt, met de rijzige soldaat, inspireerde en bracht mij deze woorden:
Voor de gestorven soldaat
Ik had je graag gekend…
Niet alleen jouw naam gelezen, maar hem genoemd…
Dan had ik geweten welke woorden je oversloeg
voor je sprakeloos en koud tot beeld verging.
Want wie nu vertelt het verhaal van de held…,
van zijn angst,
zijn afgelegde tederheid,
de zere huid van zijn handen,
zijn weerloze hart dat barst,
en breekt…
Wie kijkt in zijn ogen en ziet de waanzin,
de doodsangst die stolt, en smelt
tot wrede,
vredige stilte…
Ik wil je roemen in uitgesproken verzen,
jouw blik vertalen en in een laatste gesprek
jouw strijd verhalen
met opgegraven woorden,
van vóór de oorlog jouw stem begroef…
Dat elke herdenking mensen mag raken, en doen bezinnen over de waanzin van oorlog en onrecht, overal in deze wereld en hen mag bewegen tot verdraagzaamheid.
Het oorlogsmonument op de markt, met de rijzige soldaat, inspireerde en bracht mij deze woorden:
Voor de gestorven soldaat
Ik had je graag gekend…
Niet alleen jouw naam gelezen, maar hem genoemd…
Dan had ik geweten welke woorden je oversloeg
voor je sprakeloos en koud tot beeld verging.
Want wie nu vertelt het verhaal van de held…,
van zijn angst,
zijn afgelegde tederheid,
de zere huid van zijn handen,
zijn weerloze hart dat barst,
en breekt…
Wie kijkt in zijn ogen en ziet de waanzin,
de doodsangst die stolt, en smelt
tot wrede,
vredige stilte…
Ik wil je roemen in uitgesproken verzen,
jouw blik vertalen en in een laatste gesprek
jouw strijd verhalen
met opgegraven woorden,
van vóór de oorlog jouw stem begroef…
Dat elke herdenking mensen mag raken, en doen bezinnen over de waanzin van oorlog en onrecht, overal in deze wereld en hen mag bewegen tot verdraagzaamheid.
donderdag 25 september 2014
Voor haar...
Ik zou ontzenuwd moeten.
Lijf en geest ontpijnd.
Want hoe dikwijls al heb ik mijn hoofd gesmoord in rook en wijn, en een vals lied, om niet te moeten voelen en om met slapen mijn denken te sussen..?
En telkens zag ik de leegte van de nacht in schaduwen, met reflecties op de kast, mijn kijk belemmerd door donker en wazig grijs, en links de duidelijkheid van oplichtende cijfers die genadeloos de tijd er door drammen..
Je wordt ouder.
En ouder.
Straks dag.
Geen slaap.
Nog wakker.
En nog wakker.
En nog niet geslapen.
Straks moet je weer op.
Gooi je benen uit bed en slaap!
Ik tel geen schapen maar doden.
Gisteren vierentwintig, maar er zijn er meer.
Familie, vrienden, kennissen. Allemaal geliefd.
Ik zag ze met mijn ogen dicht want met je ogen dicht, kun je zien in het donker.
Ik hield hen vast in mijn hoofd. Keek naar hen hoe ze liepen en lachten en spraken tegen mij, of misschien tegen een ander.
Ik hield de klank van hun stem vast. Van sommigen.
Van anderen herinner ik mij hun taal niet meer.
Ik zag ze bij mij thuis, of hoe ze waren in hun huis, of in de straat, of aan tafel... een feest of zo.
En ik zag hoe zij, mijn Moeske, op haar rechterzij in haar bed lag. Zoals altijd, met haar rug naar mij toe, en hoe ze zachtjes haar hoofd wat oprichtte, de nek naar links geplooid om mij te kunnen zien, en hoe ze glimlachte en gerustgesteld zuchtte: 'Ah, ge zijt er.'...
Ik keek lang naar haar. En zij naar mij. En we wiegden elkaar in één lange blik..
Toen ik zo lang naar haar keek, moet het gebeurd zijn.
Dan moet de pijn gestopt zijn.
Want mijn benen hingen uit bed vanmorgen.
Ze liepen daarna de tuin in en vonden een bloem, voor haar...
Lijf en geest ontpijnd.
Want hoe dikwijls al heb ik mijn hoofd gesmoord in rook en wijn, en een vals lied, om niet te moeten voelen en om met slapen mijn denken te sussen..?
En telkens zag ik de leegte van de nacht in schaduwen, met reflecties op de kast, mijn kijk belemmerd door donker en wazig grijs, en links de duidelijkheid van oplichtende cijfers die genadeloos de tijd er door drammen..
Je wordt ouder.
En ouder.
Straks dag.
Geen slaap.
Nog wakker.
En nog wakker.
En nog niet geslapen.
Straks moet je weer op.
Gooi je benen uit bed en slaap!
Ik tel geen schapen maar doden.
Gisteren vierentwintig, maar er zijn er meer.
Familie, vrienden, kennissen. Allemaal geliefd.
Ik zag ze met mijn ogen dicht want met je ogen dicht, kun je zien in het donker.
Ik hield hen vast in mijn hoofd. Keek naar hen hoe ze liepen en lachten en spraken tegen mij, of misschien tegen een ander.
Ik hield de klank van hun stem vast. Van sommigen.
Van anderen herinner ik mij hun taal niet meer.
Ik zag ze bij mij thuis, of hoe ze waren in hun huis, of in de straat, of aan tafel... een feest of zo.
En ik zag hoe zij, mijn Moeske, op haar rechterzij in haar bed lag. Zoals altijd, met haar rug naar mij toe, en hoe ze zachtjes haar hoofd wat oprichtte, de nek naar links geplooid om mij te kunnen zien, en hoe ze glimlachte en gerustgesteld zuchtte: 'Ah, ge zijt er.'...
Ik keek lang naar haar. En zij naar mij. En we wiegden elkaar in één lange blik..
Toen ik zo lang naar haar keek, moet het gebeurd zijn.
Dan moet de pijn gestopt zijn.
Want mijn benen hingen uit bed vanmorgen.
Ze liepen daarna de tuin in en vonden een bloem, voor haar...
zaterdag 17 mei 2014
Mijn Moeske...
Ik word verteerd...
Het gemis knaagt aan mij.
Mijn geest.
Mijn voelen. Mijn zijn...
Met de dag
-ochtend, middag, avond, en vooral nacht-
slaat de onrust toe.
Je bent niet meer,
En ik kan niet meer bij je zijn...
Er is nog zoveel dat ik wil, met jou, mijn Moeske, mijn 'moeder'.
(Zelfs het woord verklaart de inhoud niet. Zoveel meer was jij...)
De dagen verlopen.
Ik vul ze.
Maar de leegte weegt. Telkens weer.
In moedeloosheid.
In mokerslagen.
Want je bent niet meer, en dat te moeten dragen, verlamt.
Kun je me zien?
Weet je hoe ik huil vanbinnen?
En ook echt...?
Zie je hoe ik bloemen zet bij de urne die je 'omarmt'?
Hoor je hoe ik jouw naam noem, met zoveel fierheid..., maar ook verdriet?
En luister je naar de verhalen die jouw ziel dragen, van herinnering tot levensecht..?
De tijd zou moeten helen.
Zegt men.
Die tijd drijft ons uiteen.
Zeg ik...
Ik hoor nog wel jouw stem.
Zou jouw geur herkennen. Nog steeds...
Maar mijn verstand weet dat herinneringen 'vluchtig' zijn - of wat je er van maakt - en dat niets dan nog is wat het is geweest...
Dus je zult gaan.
Echt gaan.
Tot een beeld dat niet jouw gelijke is.
Of toch niet helemaal...
Maar mooier, omdat je al zo mooi was.
En de pijn zal duren,
omdat je altijd al onmisbaar was en altijd zult zijn...
tot mijn 'eeuwigheid'
en verder
tot over alle tijd...
Het gemis knaagt aan mij.
Mijn geest.
Mijn voelen. Mijn zijn...
Met de dag
-ochtend, middag, avond, en vooral nacht-
slaat de onrust toe.
Je bent niet meer,
En ik kan niet meer bij je zijn...
Er is nog zoveel dat ik wil, met jou, mijn Moeske, mijn 'moeder'.
(Zelfs het woord verklaart de inhoud niet. Zoveel meer was jij...)
De dagen verlopen.
Ik vul ze.
Maar de leegte weegt. Telkens weer.
In moedeloosheid.
In mokerslagen.
Want je bent niet meer, en dat te moeten dragen, verlamt.
Kun je me zien?
Weet je hoe ik huil vanbinnen?
En ook echt...?
Zie je hoe ik bloemen zet bij de urne die je 'omarmt'?
Hoor je hoe ik jouw naam noem, met zoveel fierheid..., maar ook verdriet?
En luister je naar de verhalen die jouw ziel dragen, van herinnering tot levensecht..?
De tijd zou moeten helen.
Zegt men.
Die tijd drijft ons uiteen.
Zeg ik...
Ik hoor nog wel jouw stem.
Zou jouw geur herkennen. Nog steeds...
Maar mijn verstand weet dat herinneringen 'vluchtig' zijn - of wat je er van maakt - en dat niets dan nog is wat het is geweest...
Dus je zult gaan.
Echt gaan.
Tot een beeld dat niet jouw gelijke is.
Of toch niet helemaal...
Maar mooier, omdat je al zo mooi was.
En de pijn zal duren,
omdat je altijd al onmisbaar was en altijd zult zijn...
tot mijn 'eeuwigheid'
en verder
tot over alle tijd...
woensdag 29 januari 2014
Geen troost. Nog niet...
Ik was vergeten hoe het voelde.
Hoe je leeg en lamgeslagen naast het dode lichaam staat.
Nog lauwwarm..
Nu al gedoofd..
En hoe het krijst en pijnt vanbinnen.
Hoe je ogen branden, je hoofd wanhoopt en je lijf machteloos giert..
Ik wist niet meer hoe het moest..
Verdoofd de dag ingaan met het besef dat niets nog is hoe het was.
Dat de straat, en mijn pas, nooit meer dezelfde zullen zijn..
En dat de uren zo kunnen wegen, in leegte, in niets..
Ook dat was ik vergeten.
En armloos ben ik nu.
Ik kan je niet strelen. Niet over jouw witte haren strijken.
Ik kan jouw hand niet in de mijne nemen.
Ik mag je niet meer dragen..
En ik blijf verstomd achter met duizenden woorden, ongezegd…, zoals jij
nog zoveel liefde op jouw mond droeg, en in jouw stille hart, toen je ging..
Ik ben wezenloos.
En wees..
Moederloos.., en zo moedeloos.
Want hoe maak je herinneringen die écht zijn..?
Echter dan jouw stem die tederheid sprak..
Warmer dan de kus die op jouw getuite lippen lag.., elke ochtend, soms
middag, en elke avond weer.
Hoe vind ik licht dat lichter is dan de glimlach in jouw speelse ogen…?
‘Geheugen, hou vast’, zo dikwijls gedacht, en zo intens beleefd.
Maar het gemis slaat hard.
Met mokerslagen wordt mijn geest verlamd en tiert..
Geen troost.
Nu nog niet…
Je was te mooi om nu al herinnering te zijn..
woensdag 16 oktober 2013
De rust van gesnurk...
Eén weekje regen, en ik kan me de loomte van de warme zomerdag nog
nauwelijks herinneren.
De tuin, toen vol van kleur en levendig, verkleurt in bruin onder
drukkende grijzigheid van jonge herfstwolken.
Het parfum is nog wel te pruimen.
Ik hou wel van een dorre-fruitboombladeren-lucht.
Stilaan wordt die tuin kaal.
Niet alleen door de wind die de takken van de occasionele struik of boompje stroopt. In
najaarsdagen doen ook mijn snoeischaar en ik overuren.
Ik kan het niet hebben dat verpieterde planten slapjes hangen in plaats van te
staan. En dat ze, vol gaten, en hoe nog meer gehavend, staan te verkommeren.
Dan maar de korte pijn, en ik knip. Ik snoei heelder planten tot de voet weg.
Zo leeg ik de borders, met af en toe een kleine paniekaanval, want soms
lijkt het alsof wat weg is nooit meer zal terugkomen.
Ieder jaar laat ik me daaraan vangen.
Tot diep in het voorjaar zelfs, wanneer enkele schamele narcissen en een
hyacint of twee wat zielig staan te wezen in die grote border en er verder nog
niet veel te bespeuren valt. Ook dan bekruipt mij het gevoel ‘Dit komt nooit
meer goed…’, ‘Ik moet gauw wat planten kopen…’
Gelukkig is tijd vinden hier een probleem en blijkt, binnen de kortste tijd, het jonge groen zich toch een weg naar boven te priemen en krijgen de struiken
en bomen hun nieuwe blad én bloemen...
Telkens weer gebeurt dat, zonder dat ik er iets voor hoef te doen en dat
verwondert mij.
Het verwondert mij zodanig dat ik elke nieuwe lente weer vergeet te geloven dat het toch zal gebeuren.
Maar laat de tijd nu maar de tuin ontkleuren en wassen.
In dagen als deze, hierzo, in mijn hoekje achter het bureau met zicht op
de regen, slurp ik warme oploskoffie.
Of ik die lekker vind, is weer een andere zaak, maar het warmt het lijf
en de leden en dat volstaat.
De avonden worden lang en ademen huiselijke gezelligheid.
In herfsten en winters domineert hier de rust.
De hond slijt zijn dagen op de sofa en slaapt snurkend zijn buikje rond.
‘Wintervet’ zal het straks heten.
Je krijgt hem nu met geen stokken de deur uit. Hooguit strompelt hij
naar de achterdeur, kijkt naar buiten, ziet nattigheid en gaat weer liggen op het
warme plekje dat hij zonet verliet. Een zucht nog, wat gesmak, en het eentonige snurken
herbegint…
Wat geldt voor de hond, geldt bijna voor iedereen hier in huis in uren van donkerte.
Niemand die nog de deur uit wil.
Ieder heeft zijn plek in het salon, gaat achterover leunen en beweegt
nog nauwelijks.
En ja, af en toe klinkt er gesnurk van iemand die het niet meer houdt van
behaaglijkheid en in slaap dommelt.
Maar de hond moet geleegd. Willen of niet.
Zo worden de stille avonden toch nog onderbroken door een hond die niet
aan de lijn wil, en een baasje dat echt niet de nacht en de kou in wil en
jammerend de jas aantrekt, de schouders opgetrokken, de kraag omhoog… Nog een
verveelde zucht en hij verdwijnt, voor minstens een half uur.
Dan is het thuiskomen voor hem op een koor van ‘Hou de deur dicht! Het wordt hier koud!’, en
dan begint de routine van voor af aan.
De hond zijn plek.
De baas zijn plek.
En ieder zijn zucht, smak en snurk…
Zo kweekt elkeen zijn wintervet.
maandag 3 juni 2013
Wat een moeder lijden kan...
Mocht iemand mij vragen waar ik het meeste een hekel aan heb dan zou ik
geen moment twijfelen en ‘poetsen’ zeggen.
Ik stel het dan ook zo lang mogelijk uit.
Niet dat er hier Vijf-tv toestanden zijn, zoals in hun befaamde
programma’s over mensen die leven tussen bergen afval en vuil. Er wordt wel
degelijk gekuist.
Maar om nu te zeggen dat het hier ‘Spic & Span’ ligt… Verre van.
Gisteren zaten we te niksen in de eerste junizon, toen me plots het
gevoel bekroop dat dit geen goede, noch vruchtbare, zaak was.
Ik kon mijn tijd misschien nuttiger besteden.
Er was de badkamer. En die lag niet al te proper. En dat knaagde.
Er was al eens met een stofzuiger doorheen gegaan, maar niet overal…
De slaapkamers van de kinderen heb ik al opgegeven. Al jaren weiger ik
die te poetsen en het is eraan te zien.
Nooit gedacht dat een stapel zo hoog kon worden…
Qua kleren valt het goed mee. Daar dient een kast voor en daar wordt ze
ook voor gebruikt.
De rest van de kasten en rekken puilen uit van de mappen, boeken en ander
materiaal, dus wordt er duchtig gestapeld.
Op de kasten, onder de kasten, onder
het bed, op de vensterbank, de vloer...
Ik kan het niet meer aanzien en trek telkens de deuren dicht als ik weer
eens op dat ‘schoon verdiep’ kom.
Zelfs de ouderlijke slaapkamer kreunt onder de spullen van, vooral, dochterlief.
Mijn man en ik beleven ‘de romantiek’ tussen plastieken zakken met
pluchen beesten, prinsessenpakjes, maskers, paaseieren en een verdwaalde
kerstbal die nog zijn plek moet terugvinden.
Mocht u het zich afvragen: de dochter staat in het kleuteronderwijs,
zonder eigen klas, en met een dramatisch kleine slaapkamer.
Vandaar de overlast
van thematisch materiaal.
De badkamer blijft –gelukkig- kleutermateriaalvrij.
Hooguit vind ik er, in tijden van carnaval, wat confettibolletjes, maar
meer echt niet.
De badkamer is badkamer gebleven en voelt zowaar ‘leeg’.
Zo leeg zelfs dat de gedachte mij gisteren overviel (toen ik eindelijk
toegaf aan mijn schuldgevoel en aan de schoonmaak begon) dat het eigenlijk wel
verwonderlijk was dat ons huis nog niet omgekiept was richting buren van nummer
21, ofte, de kant waar de overvolle kamer van de dochter kreunt onder het
gewicht van drie jaren opleiding kleuteronderwijs- en drie jaren effectief
kleuteronderwijs-met-wekelijks-wisselende-thema’s-met-bijbehorende-attributen.
Hoe houdt zo’n verdiep met plankenvloer het vol…?!
Mocht de aarde hier ooit beven dan wordt dit voor ons een regelrechte
ramp.
Begin maar eens alle doormekaargeschudde thema’s weer te sorteren…
Stel je voor dat al die stapels omkiepen en de houten parels en
strijkkralen je tegemoetkomen op de gang en de trap...
Ik zei het gisteren nog, toen de badkamer alweer lag te blinken dankzij
een Propere Heer en wat anti-kalkspray: ‘Misschien moet je overwegen om ergens
een droge garagebox te huren…?’ Zo bracht ik het zachtjes aan bij mijn
enthousiaste kleuterjuf.
Het zou wel fijn zijn om nog eens de muren van mijn huis terug te zien.
Voorlopig heeft ze nog geen zicht op een vaste plek in één of andere
school, dus het wordt nog minstens een jaar stouwen…
Maar té is té.
Nog goed dat hier niemand de voordeur gebruikt want ook in de hal is het
vaak klimmen over manden vol muziekinstrumenten, al dan niet zelfgemaakt, en
zakken met nog te sorteren spullen.
Ik weet van meer dan één juf die een extra garagebox huurt om alle materiaal
te stallen.
Er kwam echter geen reactie op mijn voorstel.
Ik weet dat er uitgekeken wordt naar de verhuis van de zoon. Ooit zal
zijn huis afgewerkt zijn en dan komt zijn (grote) kamer vrij.
Maar of dat iets zal veranderen aan mijn barstend huis…
Er komt elke week een nieuw thema bij… en een vierkante meter blijft een
vierkante meter…
En de dramatisch kleine kamer (van de dochter) die dan vrijkomt, wacht
op een invasie van een Playstation 3-fan onder de gedaante van het hoofd van
dit gezin…
Dus daar zit ook al geen optie tot extra opslagruimte in…
Ik weet het niet meer.
Ik weet alleen dat mijn badkamer blinkt en dat daar een zee van ruimte
is.
De badkamer is nochtans de tweede kleinste kamer van dit huis.
De kleinste is, inderdaad, ‘de vrolijke vierkante meter’, met name ‘de
wc’.
Wat me deed bedenken, in mijn vlaag van kuiswoede, dat het hier wel erg
gesteld is…
Dat ze zich bij het Ministerie van Onderwijs daar niet bewust van zijn,
en dan maar wat vergaderen over de hervorming van het Secundair, stelt me
teleur.
Ze moesten maar eens komen kijken hoe een beginnende leerkracht, én de medebewoners
van datzelfde huis, worstelen met de stapels educatief materiaal…
Dat verdient minstens een premie, én misschien een maandelijkse
poetshulp…?
Dat lijkt me niet teveel gevraagd. Of is de Propere Heer me naar het hoofd gestegen...?
Ps. Ook de zoon staat in het onderwijs. Basisonderwijs. Met, gelukkig,
minder knutselspullen, maar toch nog een kamer vol mappen en documentatie.
Help!!!
Ik ben een moeder en ik lijd…
donderdag 2 mei 2013
Im wunderschönen Monat Mai…
Dacht ik al meer dan drie jaar dat Schumann’s Dichterlieder enkel voor
die dames bestemd waren die gezegend zijn met een stem, die als het moet, tot een
hoge fa of sol reikt…
(O, ontgoocheling, die mij al zo vaak het zwijgen oplegde omdat ‘meegalmen’
hier geen optie is…)
Vind ik, in mijn zoektocht naar nostalgie en herbeleving van een
memorabele uitzending van Vrije Geluiden, Barbara Sukowa terug…
Ik herinner mij hoe ik destijds gebiologeerd naar het beeld zat te
staren en hoe met haar zang de tranen op mijn schoot belandden…
‘ Ich
hab' im Traum geweinet,
Mir
träumte, du lägest im Grab.
Ich
wachte auf, und die Träne
Floß
noch von der Wange herab.
Ich
hab' im Traum geweinet,
Mir
träumt', du verließest mich.
Ich
wachte auf, und ich weinte
Noch
lange bitterlich.
Een tekstje van niets zou je zeggen…
Even cliché als hoe ik het net braafjes omschreef van die tranen op mijn
schoot.
Maar hoe ze zich in die woorden gooit met heel haar stem en lijf…
Ontdek ik achteraf dat Barbara Sukowa geen klassieke zangeres is, maar
een Duitse actrice. Dat verklaart veel.
Waar haar stem tekortkomt, neemt de inleving en performance het over.
‘Hütchen ab!’
Vind ik, in mijn verdere zoektocht naar uitvoeringen van ‘Ich hab’ im
Traum geweinet’, een versie van Richard Tauber…
Een tenor begot!, maar van het ingetogen kaliber. Tenminste in dit lied.
Geen bewegend beeld. Enkel een foto, het lied, de zang, de klank van een
sobere piano…
Opname uit 1935…, maar o zo mooi in al zijn eenvoud.
Na een paar luisteringen, waag ik mij aan wat meezang…
Kijken of ik me nog altijd ‘tenor(es)’ mag noemen, zoals ik mezelf
vroeger omschreef toen ik bij het koor als ‘vreemd gevogelte’ tussen een partij
mannen stond…
Op het koorzangtoernooi van Oost-Vlaanderen haalden we met ons
drieëntwintigkoppig koortje wel mooi ‘Uitmuntendheid’.
Daarna hield ik het ‘voor gezien’, want qua sociale contacten bleef ik
de bizarre eend.
De vrouwen troepten samen zoals kinderen dat op een speelplaats doen. In
een gesloten kring. Geen doordringen aan.
En de mannen haalden een pint en keuvelden over het voetbal…
Ik dobberde daar wat tussenin, zonder er echt bij te horen.
Die pauzes waren voor mij een ongemakkelijk en onnoodzakelijk kwaad en
deden mij beslissen ermee op te houden.
Na een tijd afwezigheid hoorde ik van een alt dat ik toch gemist werd.
Ik trok mijn wenkbrauwen in een vragende en vertwijfelde frons…
Ik had daar nooit een verhaal opgehangen dat enigszins indruk zou kunnen
hebben gemaakt of dat zou doen wensen naar mijn wekelijkse entertainende
aanwezigheid…
Wellicht kende niemand daar de klank van mijn stem want er was nooit de
gelegenheid geweest om ook maar enige inbreng te hebben in hun conversaties.
Ik stond altijd buiten hun cirkel en niemand die vroeg om erbij te komen.
Mijn pogingen tot toenadering werden genegeerd en zoals ik het toen
aanvoelde, werd de kring dan nog wat meer aangetrokken zodat ik er zeker niet bij kon.
Zij moet mijn verwondering gelezen hebben, die alt, want ze zei
onmiddellijk: ‘Het valt op dat je niet meer bij de tenoren staat.’
En ik dacht al even onmiddellijk: ‘Dat zal wel ja… Geen vrouw meer
tussen de mannen…’
Maar zij ging nog verder: ‘Je hoort zo goed het verschil nu jij er niet
meer als tenor tussenstaat. Ze geven bijna geen klank meer!’.
Ik kan vermoeden dat ik toen mijn wenkbrauwen bijna tot aan mijn
haarlijn optrok…
Ik vermoed dat er duizend vraagtekens in mijn ogen te lezen stonden.
Ik weet dat mijn hoofd suisde van verwondering.
Huch?!
‘Wel ja, jij klinkt meer ‘tenor’ dan die vijf mannen samen!’, zei ze
nog, en of ik geen zin had om weer naar de repetities te komen…
Neen dus. Geen tweede poging.
Nooit meer dat schaapachtig glimlachen tussen de twee vriendencirkels in.
Een tijd later vroeg ze het mij nog een keer en weer heb ik bedankt.
Niets of niemand kan mij nog verleiden om mijn ‘solocarrière’ vaarwel te
zeggen om weer in de massa onzichtbaar te worden.
Die solocarrière beperkt zich
tot wat pogingen tot liedinterpretatie in een kamer zonder publiek.
Het repertoire gaat van jazz, over pop, tot één enkele keer klassiek.
Daar verlies ik me op een podium dat er geen is en haal met gemak de
hoogste noot een tenores waardig:
Ich
hab' im Traum geweinet,
Mir
träumte, du wär'st mir noch gut.
Ich
wachte auf, und noch immer
Strömt
meine Tränenflut.’
Als ik zing, voel ik de tranen niet…
dinsdag 23 april 2013
Had ik laatst een reünie...
‘Had ik laatst een reünie.’, zou een Hollander beginnen.
‘Kwamen we daar aan, wat onwennig…
Tja, het was ook bijna veertig jaar geleden dat ik die mensen nog had
gezien (Kun je nagaan!)’
‘Nou, in het begin liep het nog een beetje stroef. Ik stond bij de deur.
Werd ik meteen aangegaapt door wel twintig koppen die tegelijk dezelfde kant
uitkeken… Mijn kant dan en ik dacht: ‘O.., het wordt zo’n avondje’.'
‘Stond er een dame bij de deur. Ik herkende ze gelijk!’
‘Anja?’, vroeg ik.
‘Jawel’, zei ze.
‘Hoe gaat het nu met je?’, deed ik nog een poging.
‘Goed.’, zei ze.
En dat was dat.
Verder herkende ik Suzanne, en Martine, en ook Johan, Geert en Hans. En
natuurlijk Daniël met zijn bloedbroeder Luc…
De rest had ik nog nooit van mijn leven gezien.
Of toch wel.
Maar ik kon er geeneen herkennen of bij naam noemen.
‘Raar feestje…’, dacht ik, en verder ‘Ik hoop dat we lekker te eten
krijgen voor de vijftig euro die ik hiervoor betaalde…!’ (Er
zit nog een achtste Nederlands bloed in mijn lijf…)
Het was een staande receptie,
zoals dat dan zo mooi heet.
Je ziet een verhoogde tafel met een bakje chips en nog een bakje
nootjes, en gaat alvast een plek innemen om niet zomaar, middenin de zaal,
wezenloos te staan kijken.
‘Bizar.’, zeg ik tegen mijn man, ‘Zoveel van deze mensen liepen door de
straten van mijn kindertijd. Ik moet ze gezien hebben, maar ik herken er zo
weinig!’
Zegt hij, mijn man: ‘Da’s niks voor mij, heel dit gedoe. Gaan we lang
blijven?’
Ik ontwijk diplomatisch zijn vraag door te wijzen op het koppel dat net
aankomt.
‘Die herken ik!’, zeg ik met gefaket enthousiasme.
‘Dat is… Hoe heet die ook weer…?’
En ik zie hoe mijn man ongeïnteresseerd de andere kant op kijkt…
Ik doe zelfs geen moeite om me haar naam te herinneren, terwijl die
spontaan in mij opkomt.
‘Caroline!’, doe ik nog een poging, maar het kan hem geen moer schelen.
Mij eigenlijk ook niet.
‘Begint er plots een onbekende vrouw met mij te praten.’, zou een
Hollander, en ook een Belg zeggen.
Dat had ze beter niet gedaan…
Ze begon te vertellen over haar werk. Ergens in een school waar ze de
maaltijden van tweehonderd kinderen serveerde en ook voor ‘de opvang’ zorgde én
ook instond voor de EHBO…
‘Nou, goed hoor’, zou diezelfde Hollander denken of zeggen, maar ik, én
mijn man, (als Belgen) dachten na ruim een half uur: ‘Mens, hou toch op! Het
interesseert ons geen bal welke ouders hun kind om zeven uur droppen op school,
of hoelang het duurt voor de afwas klaar is, of welke wonden ze ooit heeft
verzorgd…’
Na een tijdje vraag ik haar of ik haar ken.
‘Neen, ik denk het niet.’, zegt ze kordaat. ‘Ik ben de vrouw van..’,
zegt ze daarna.
‘Van wie dan?’, vraag ik haar.
‘Van Koen’, zegt ze.
‘Koen wie?’, vraag ik.
‘Koen Geraerts’.
‘Ken ik niet’, weet ik zeker.
‘Je moet hem kennen!’, dringt ze aan.
‘Toch niet.’, zeg ik na een seconde of vijf nadenken.
‘Geraerts. Van de Slijkstraat.’
‘Zegt me niets.’, probeer ik nog.
‘Nummer 15.’, probeert zij nog.
‘Geen idee.’, ga ik door.
‘Dat huis met die rood geverfde ramen.’…
‘Ik woon hier al zesendertig jaar niet meer!’, zeg ik.
‘Met die voortuin waar die grote dennenboom in staat, en die rododendron
met paarse bloemen!’
‘Ik woon hier al zesendertig jaar niet meer!’, sis ik nu ondertussen….
‘Je moet hem kennen!’
En ja hoor. Daar word ik dus pis-pis-PISnijdig van!!!!
Wie zegt dat ik iemand moet kennen???
Ik ken iemand.Of ik ken die niet.
Punt.
Gelukkig.
Gelukkig kwam de boodschap van ergens achterin de zaal dat de walking
dinner klaar was om gewalked te worden.
Snel de andere kant uit.
Bordje nemen. Bestekje nemen. Braafjes wachten
in de rij….
Bordje vol.
Buikje vol.
‘Willen de leerlingen van de zesde klas verzamelen voor een groepsfoto?’
Hop. Naar voren.
Op de knieën zoals weleer.
Dezelfde plek als op de foto van toen…
Met vier, zijn we.
Op de foto van vroeger waren we met veertien….
Triestige foto..?
Niet als we lachen! En dat doen we.
We slaan nog een praatje achteraf. Na de foto. Met z'n vieren.
Niets dan een opsomming van kwalen en miserie…
De ene dit. De andere dat.
Gelukkig.
Gelukkig niet langer dan vijf minuten.
Mijn man vraagt of we nog lang blijven.
De mensen aan onze tafel zijn uitgepraat.
‘Het werd een beetje saai…’, zou de Hollander zeggen. Of: ‘Oervervelend
man!’
Ik deed nog een poging om de tafelgenoten aan de praat te krijgen, maar
niets hielp.
Moeilijk als je niet echt iemand kent.
Toen waren we elf of twaalf. Nu vijftigers…
Een hemelsbreed verschil en een heel leven ertussen dat niet op enkele
uren te overbruggen valt…
‘En…, wil je nog blijven?’, herhaalt mijn man, ‘of gaan we naar huis?’
Nog vóór de muziek begint, en we –eventueel- zouden kunnen dansen, hoor
ik mezelf zeggen: ‘Ok. We gaan.’
Ik ga nog een paar handen schudden.
Handen van mensen die op meer dan de helft van hun leven staan.
Ik ook.
Maar ik prijs mezelf gelukkig.
Gelukkig, want ik leef nog (drie leeftijdsgenoten waren overleden…) en
ik moest geen chemo doorstaan. (twee
mensen die ik daar ontmoette ondergingen chemo…)
Ik ben nog steeds gelukkig getrouwd, nu al bijna 28 jaar, (vier van de
vijf mensen waar ik mee praatte waren gescheiden…) en heb twee gezonde kinderen
(twee van de vier mensen waarmee ik praatte hadden een kinderwens maar bleven
kinderloos, of verloren een kind…) die ik zonder problemen heb opgevoed (ik
kreeg een heel verslag van de dame die de ‘opvang’ verzorgde over probleemkinderen én van oud-klasgenoten
die het één en ander hadden meegemaakt met hun pubers…)
Nog vóór de muziek begon, zaten we in de auto. Klaar om naar huis te
vertrekken.
‘Het eten was lekker’, zeiden we tegen elkaar, mijn man en ik.
‘Ik vind het een raar gegeven, zo’n reünie.’, zei mijn man nog.
‘Vertrek maar.’, zei ik, ‘Als we dan toch niet dansen, wil ik bij de
kinderen zijn…’
Het was rond tien uur dat we thuis kwamen.
Vroeg.
Heel vroeg naar de normen van zoon- en dochterlief…
‘We hadden het wel gezien’, dachten, of zeiden we –min of meer- in koor.
‘Ik had wel graag gedanst.’, bleef nog ergens in mijn hoofd hangen. Maar
niet lang.
De dagen erna herleefde ik herinneringen die lang vergeten leken, maar die met dit ‘terugzien’ heel erg levendig werden…
Vooral zij die niet meer waren, zag ik duidelijk voor mijn geest.
Hoe ze waren, en deden…
Voor hen is deze reünie niet ‘um sonst’ geweest.
'Het was überhaupt een korte, maar krachtige ervaring!', zou de Nederlander roepen.
Ik zeg het ook.
vrijdag 19 april 2013
Zoals Brel het beschreef...
De tijd slaat me met hardheid om de oren.
Ik zie het vergaan van glans en schittering, en van levendigheid in de
ogen van mijn moeder.
De zang woont niet meer in haar hoofd. Het lied is verstomd.
Er is klaagzang, en nog zelden een ode.
Haar passen zijn vertraagd. Ze sluipen.
En wankelen...
Ze sleept zich door de kamer. De drie kamers die nu haar wereld zijn.
Ik ging met haar naar buiten. Op wielen ging zij met mij mee.
Ik duwde haar de straat door, zoals zij mij vroeger duwde.
Omgekeerde, wrede tijd.
‘Waarom moet een mens zo oud worden…’ zei ze. Het was zelfs geen vraag.
Een jaar geleden kroop ze haar geest achterna.
De kop wilde. Het lijf niet meer.
Ze zijn nu in balans.
Moe.
Uitgeput.
En moe.
En uitgeput.
Ik zoek nog het licht in haar ogen. Zoals ze vroeger naar me keek.
De rug recht. De zwevende pas. De mondhoeken omhoog. Glimlach. Fier…
Ik zeg haar dat haar trui gewassen moet. Er zitten vlekken op.
Ze blaast de opmerking weg en mompelt ‘ja ja…’, waarmee ze ‘neen, hoeft
niet’ wil zeggen.
Ze verandert nog nauwelijks van kleren. Wat goed zit wordt versleten tot
op de draad.
Vroeger droeg ze kleedjes, zelfs één met struisvogeldons, en kleurde ze
haar mond met roze lippenstift…
Ze droeg hoge hakken waarmee ze de straat door snelde. En wij, mijn zus
en ik, gingen in looppas om haar bij te houden…
Ik haat de donkere pantoffels met velcro aan haar voeten die, zo zwart
op de witte vloer, bewijzen dat zij nu een klein wankel, en oud vrouwtje is.
Ik had vroeger tranen bij het lied van Brel over ‘zijn oudjes’.
Ik kon me niet voorstellen hoe het moest zijn om je ouders in de winter
van hun leven te zien, vóór de koude hun ziel zou bevriezen, maar hij kon het zo verdomd goed verwoorden:
‘Les vieux ne bougent plus,
leurs gestes ont trop de rides, leur monde est trop petit.
Du lit à la fenêtre. Puis du lit
au fauteuil. Et puis du lit au lit…’
Van de zetel naar het bed. En
van het bed naar de zetel…
Zo gaat mijn moeder op zwarte sloffen, achter
het looprekje de dag door en de nacht in.
En slapeloos huilt ze, en hoopt ze dat ze straks niet
meer wakker wordt…
‘Vous la verrez parfois en pluie et
en chagrin, traverser le présent
en s´excusant déjà de n´être pas
plus loin…
Et fuir devant vous une dernière
fois la pendule d´argent,
Qui ronronne au salon.
Qui dit ‘oui’, qui dit ‘non’,
qui dit : je t´attends…’
Er hangt een tikkende klok
in de woonkamer van mijn moeder.
De tijd slingert er genadeloos voorbij
langsheen de muur.
Ze loopt, constant, een
kwartier voor.
Zij kruipt de tijd achterna...
Zij kruipt de tijd achterna...
vrijdag 5 april 2013
Zo moet het nu zijn...
Heel vaak loop ik ’s nachts door het huis waar ik als kind in liep.
Alles ziet er in die dromen anders uit.
Het huis is verbouwd en wanhopig probeer ik de oude indeling te vinden
van alle kamers want ik weet dat ik ‘thuis’ ben, maar vind de weg niet meer.
Terwijl ik door die grote kamers loop, komen in mijn droom de
herinneringen terug aan de kleurige patronen op het behang en aan de geuren die zo eigen waren aan het
thuiskomen in mijn kinderjaren…
De verse soep van ons ma, de sigarettenrook van onze pa die in wolkjes
zijn krant zat te lezen, die verse krant, de geur van bruine zeep en de was die
hing te drogen onder het afdak, het indringende parfum van seringen of rozen in
vazen doorheen het huis…
Ik heb nooit meer die mengeling van geuren nog geroken en dat is waar ik
’s nachts naar op zoek ga, naar die exacte mix, want dan zou het kunnen
gebeuren dat ik, al was het maar heel even, weer kan samenzijn met mijn vader.
Ik droom in kleuren. Daar ben ik zeker van.
Alleen, de kleuren zien er anders uit dan in het echt. Het lijkt alsof
ik door de lens van een camera kijk waar een zonnige filter op zit. Er hangt
een gloed over de beelden. Een warme zomergloed.
Nooit is het koud of vriest het als ik weer in dat huis beland, en de
tuin is er altijd groen, maar het is niet dezelfde tuin…
Alle bomen zijn omgehakt en er ligt een strakke, gemillimeterde grasmat
waar ik me nooit op waag uit schrik om de perfectie te schaden.
Ik weet ook dat er andere mensen wonen in ‘mijn’ huis, maar ik kom die
nooit tegen.
Ik wil die ook niet tegenkomen.
Ik erger mij dood aan wat ze gedaan hebben met de plek waar waarschijnlijk
vroeger mijn kamer was. Vraag me niet wát ze deden, ik heb er geen
droomherinnering aan, maar ik weet dat het goed fout zat.
Ik kan ook de kamer niet meer terugvinden waar mijn vader stierf,
terwijl ik op zijn minst verwachtte dat die intact zou zijn gebleven, uit
respect voor hem.
Het is daar dat mijn droom altijd eindigt, op het moment dat ik besef
dat die tijd voor altijd vergaan is en dat dit verleden niet herbeleefd kan
worden hoe hard ik er ook naar verlang…
En ik huil.
Luidkeels huil ik, tot ik er wakker van word.
Want hoe graag zou ik weer kind willen zijn, en zorgeloos lopen door de
tuin van mijn vader, met de hoge bomen en het wilde gras…
En hoe graag zou ik willen dwalen door dat huis, en de weg weten, en als ik
bang ben, slapen tussen mijn vader en mijn moeder in, en hun hart voelen
kloppen voor elkaar, en voor mij…
Ik wil kind zijn, en rusten op de schouders van mijn
vader, maar niets is wat het ooit was...
Als ik dan wakker ben, trek ik de gordijnen open en kijk hoe hij rustig de dag inademt.
Hij is vader, helemaal. En ik moeder.
We stappen samen de ochtend in.
De trap af, de buik van ons huis in, de drukte tegemoet...
Zo moet het nu zijn. En het is goed zo.
Abonneren op:
Posts (Atom)