dinsdag 1 januari 2013

We gaan door, tot het eind!


Dat we het overleefd hebben, het doemjaar 2012…!
Gedoemd om te vergaan, waren we, zo net voor de Kerst. En soms werd het met zoveel overtuiging verkondigd, dat ik, met mijn nochtans oerdegelijk en nuchter verstand, mezelf een nanoseconde betrapte op twijfel de dag dat ik aan de keukentafel ging zitten met mijn kookboeken op een toren naast mij om het menu voor oudejaar op te stellen.
Zou ik die moeite nog wel doen? Misschien hoeft het niet meer als we toch van deze aardkluit verdwijnen…?
Eén belachelijk kleine seconde kwam die gedachte mij goed uit zonder er echt in te geloven.
Niet meer dan gemakzucht was het, want ik kon wel interessantere dingen bedenken om te doen op dat moment dan me de vraag te stellen: wordt het hertengoulash of toch maar hertengebraad..? Er zou trouwens geen hert meer te bespeuren zijn op de dag des oordeels. Geen kip zou het overleven, en waarschijnlijk ook geen enkel ei.
Als de wereld vergaat, dan vergaat die goed en helemaal. Zoveel is zeker.
Dat iemand het in zijn hoofd haalt daar een precieze datum op te plakken, lijkt me meer dan absurd. De meest gerenommeerde weerman slaagt er nog niet eens in om voor een week het weer te voorspellen, maar het einde van de wereld dat is voor 21 december. De machtige mystieke Maya’s zijn slimmer dan onze weerman!
Heel die hysterie omdat een volk geen zin meer had om de kalender bij te houden…
Zij stoppen met tellen, en dan zou de wereld stoppen met draaien…?
Amahoela, zouden onze buren, de Nederlanders zeggen, en nog wat oliebollen bakken op oudejaar en een vuurpijl de ruimte inschieten met een post-it erop: ‘Eat your heart out, Maya people, we keep on turning and living!’. Een Nederlander houdt van een woordje Engels…
Hm, oliebollen… Misschien een ideetje voor het grand dessert…?
Die dag, aan de keukentafel, tartte ik het noodlot en stortte mij, tegen alle waarschuwingen in, op de berg boeken. Bergen bieden redding…, zo schijnt het.
Een hele schepping beesten en planten én organismen zouden mijn menu bevolken. Oesters, fazanten, kastanjes, herten, zwammen, kwartel-en kippeneitjes, zeewier als nepkaviaar, gist, een waaier aan groenten en fruit. Een viering van het leven zelf, maar dood gebracht op het bord…
En dat ik me daar net slecht over voelde.
Niet de hele wereld zou vergaan, maar een deeltje ervan zou wel dood belanden op ons bord…
De mens duidt een datum aan op een kalender en viert feest  ten koste van een ander leven dat eindigt waar de vraag begint: hertengebraad of hertengoulash..? En fazant in het voorgerecht..? Of kikkerbilletjes met look..?
De feestdis ligt nog steeds op mijn maag, maar de wereld draait door.
Gelukkig.
De haan kraait de morgen bijeen.
Een nieuwe dag. Een nieuw jaar.
2013 en we gaan door, tot het eind!

maandag 4 juni 2012

'Die van de Schoonstraat.' (inleiding en eerste deel)


Inleiding


Ze bestaan nog, die onooglijke oeroude straatjes.
Weggemoffeld, onttrokken aan het licht, liggen zij grijs hun geschiedenis uit te ademen.
De huizen neus aan neus. De ogen achter de gordijnen op elkaar gericht.
Generaties lang komt hetzelfde soort volk zich verschuilen in die uithoeken. Ieder met zijn eigen verleden, zijn eigen verhaal. “Randgevallen”, door geboorte of omstandigheden gedoemd zich van de middenklasse af te zonderen.
Zij lijken zich te vereenzelvigen met de gescheurde muren en afgeschilferde gevels.
Stuk voor stuk werden zij beschadigd, een commune van gebroken levens.
Geen werk, geen geld. Geen liefde, geen zin om in de pas te lopen, ziek…
En ze blijven er wonen.
Waarschijnlijk omdat het niet nodig is zich te schamen voor de buren, het zijn hun lotgenoten.
Bovendien is de huurprijs er laag, naar hún vermogen.
Zelfs de straatverlichting lijkt op hen afgestemd. Vooroorlogse, sobere lantaarns staan langs het anderhalve meter brede wegdek.
Een volle maan geeft meer licht.

Het is niet anders in de Schoonstraat, een godvergeten doodlopend straatje ergens in een uithoek van een noordelijke grensgemeente.
De koten staan er dicht op elkaar, beroven elkaar het licht.
Alleen de kleine achtertuintjes aan de linker straatkant vangen nog wat zon omdat daarlangs “de vaart” loopt. De bewoners zien er, vanuit hun woonkamers, de kolossale zeeschepen voorbijvaren, terwijl de deuren rammelen en de grond onder hun voeten davert van die enorme motorkracht. Hun frêle huisjes bibberen van angst.
Miljoenen -in geld- trekken dagelijks aan hun achterdeur voorbij. Meedogenloos.
De industrie kent geen medelijden. Ze pompt de lucht vol dioxines en vergiftigt de schamele grond. Zelfgekweekte gewassen zijn er verboden vruchten. Ook dat wordt hen niet gegund, het plezier van hun eigen patatten en prei klaar te maken. Zoveel goedkoper, zoveel smakelijker…
Er wonen mannen die zich letterlijk kapot hebben gewerkt, tot ze niet meer konden en door hun stinkend rijke bazen bedankt werden voor hun diensten.
Zij wonen nu in de schaduw van de miljardenbedrijven.
In het donker is het knokken om te overleven.
En zij die het beter hebben, roepen smalend : “In de Schoonstraat… daar zit ’t schoonste volk!" 
“Dat ras !”, “Dat crapuul !” of, met geveinsd meevoelen, “Die dutsen…”.

In die straat heeft niet ieder huisje zijn kruisje. Het geloof is er ver te zoeken.
Er wordt gevloekt, tegen de sterren op.
De deken die er woonde, werd met rust gelaten. Hij mocht enkel schaap zijn met de schapen en zolang hij zich daar aan hield, werd zijn aanwezigheid getolereerd.
Hij werd priester gewijd en nam zijn taak van “herder” op in een andere parochie.
Zijn huis, het best onderhouden gebouw van de straat, werd na enkele weken ingenomen door het gezin Vermassen.
Vader Vermassen, de vleesgeworden duivel, woont nu alleen in de Schoonstraat nummer 4…



Vermassen Ludo
Van nummer 4


Elke ochtend worden zij van de Schoonstraat, ongewild gewekt door het onophoudelijk geblaf van twee afgrijslijke honden die schuimbekkend de opkomende zon verwensen.
Om één of andere reden schuwen zij het daglicht, of is het de warmte die hun kille leven ontregelt ?
Vermassen schrikt wakker en vloekt dat het huis ervan gaat kraken.
Zo begint hij elke dag met het tarten van het noodlot, de beesten de eeuwige jachtvelden toewensend en zijn kop stotend tegen het ijzeren raamkozijn.
De bulten zijn niet meer te tellen.
Het ritueel vervalt echter als, na een lange nacht van zwaar zuipen en nog zwaarder dansen op tranentrekkende muziek, hij met een zwalpende, verdoofde kop de trap niet meer vindt en hij zich beneden op een stoel laat neerploffen.
Zijn hoofd bengelt aan zijn nek. Het kantelt en knikt en wiegt alsof zijn dromen hem meenemen op stormachtige zeeën. Het klotsende bier doet zijn kop deinen.
En ochtend wordt dan middag. Zo mist hij de beesten maar vloeken doet hij toch als hij ontwakend tegen de tafel aanloopt en een flits van licht als een priem in zijn oog schiet. Even hard verwenst hij de dag die voor hem ligt als alle nachten die hij eenzaam en verbitterd, met zichzelf dansend en wentelend in zelfmedelijden verzuipt in de schaduw van het volkscafé.

Vermassen, “de Ludo”. De Schoonstraat kent hem, en zijn honden. Arme beesten…
Hij had een vrouw en kinderen…
De Ludo slaat zijn honden. Hij schopt ze verrot. Dat doet hij al jaren.
Hij sloeg ook zijn vrouw. Niet zijn kinderen, maar de kinderen keken toe en ’s anderendaags zag de buurt dat zijn vrouw “af de trap was gevallen”… Het stomme wijf.
Vorige herfst kwamen de mannen van de dierenbescherming.
Ludo was er niet. 
Zijn vrouw weende zachtjes en beloofde een hok voor de beesten, voor als het regende. Dan moesten ze niet meer onder de auto te schuilen.
Ze bouwde een hok en de Schoonstraat keek toe. Arme beesten. Ze mogen niet binnen.
En toen Vermassen thuiskwam na zijn nachtje “I’m lonely without you”, zag hij het hok, schopte de boel en de honden kapot en liet zijn vrouw “af de trap tuimelen”. De kinderen huilden.
De buren keken toe van achter de gordijnen hoe zij ’s morgens krampachtig de gebroken planken aaneen timmerde waarbij de honden dreigend en grommend om haar heen liepen en niet zagen dat zij even gekwetst was als zij. Ze had een hondenleven.
Vermassen vloekte ’s middags voor het hok zijn keel kapot, verzoop in al zijn woede de motor van zijn oude diesel en vertrok te voet naar het volkscafé.
De Vrouwentongen, op schoteltjes van afgedankte serviezen, die de klanten moeten afschermen voor nieuwsgierige voorbijgangers, wierpen langgerekte schaduwen over de stoelen en tafels en over de handen die op die tafel trillend een bierglas omklemden.
Vermassen keek naar zijn handen, zijn vingers, de zwarte nagelriemen. Sombere, onzuivere handen.
Handen die toch ooit liefhadden en streelden.
Ze waren koud en hard geworden. Niet door het werken maar door niet te werken.
Hij wilde wel, maar zijn rug niet. Een rug van vierendertig en al versleten.
Vermassen kneep in zijn glas om het trillen te stoppen.
De wrange smaak van de te vroege pint mengde zich met het zure gevoel van machteloosheid.
Hij haatte zijn leven, wie hij was geworden.
In zijn hoofd zong hij “Ne me quitte pas”, zijn lijflied. Dat deed hij altijd als hij zich radeloos voelde. Het maakte hem rustig.
Vroeger leek hij op Brel. Vroeger zong hij Brel, voor zijn Marieke…
Marieke Van Daele, hij werd op slag verliefd op haar. Ze stond in de keuken van het metaalbedrijf waar hij werkte. Iedere middag zong hij voor haar. Brel of Louis Neefs : “Ach Marieke de rozen zullen bloeien..”.
De dames van de mess smolten voor zijn charmes, maar hij wilde Marieke en uiteindelijk zei ze “ja”.
Ze gingen twee maanden samen uit en besloten te trouwen. Na negen maanden werd hun eerste kind geboren. In twee jaar kregen ze twee kinderen.
Marieke, of “Mie” zoals hij haar nu noemt, bleef thuis om voor de kleintjes te zorgen. Dat was wat hij wilde. Hij schakelde over naar het vierploegenstelsel om meer te verdienen en de dagen dat hij dan “thuis” was, ging hij zwartwerken bij een tuinaanlegbedrijf. Hij spitte er zijn rug kapot.
Maandenlang ziekteverlof...
De metaalfabriek stuurde eerst een controleur en later een briefje. Ludo Vermassen, Schoonstraat 4, U bent ontslagen.
“Laisse-moi devenir, l’ombre de ton ombre, l’ombre de ton chien, l’ombre de ta main, mais ne me quitte pas...”

Die middag startte Mie de diesel. De kinderen zaten bovenop hun dekbedden op de achterbank en de koffer zat overvol.
Die van de Schoonstraat hadden gezien hoe ze haastig vertrok. 
Vermassen kwam later weer bezopen thuis en vloekte, zoals altijd maar dit keer nog iets harder.
Sinds die dag trekt hij dagelijks te voet naar zijn stamcafé.
Van Marieke en de kinderen werd in de buurt geen spoor meer gezien.
De Antwerpse, Louiza, had wel gehoord dat ze eerst een tijd bij haar moeder was ingetrokken en later bij de zoon van de buschauffeur die ooit nog getrouwd was met die Limburgse die nu aan het eind van de straat woont in nummer 41. ‘Ge weet wel, die afgedankte ballerina…, Herlinde Obermeyer.’


maandag 14 mei 2012

Mietje...!


De druk is niet te harden.
Druk in mijn achterste kies aan de linker bovenkant, waardoor ik nu al twee weekendlijke nachten opzit en nutteloos in het donker zit te staren, terwijl ik de cadans van mijn hartslag kan volgen in dat hoekje van mijn mond, tot in mijn oor en tot in mijn oog...!
Zo’n moment vraagt om morfine of minstens een derivaat ervan.
De dosissen paracetamol en ibuprofen die mijn maag doen verkrampen, doen verder helemaal niets. Ik kan net zo goed wat zure gommen eten.

Normaal zijn mijn blanco nachten heel vruchtbaar.
Maar vooraleer u zich bij dat vruchtbare iets heel beeldend of gymnastisch voorstelt…: ik heb het puur over het mentale.
Om te schrijven moet je denken en de meeste van mijn schrijfsels gebeuren ’s nachts.
Dan word ik wakker en dringt er zich een zin aan mij op, die ik moét opschrijven omdat ik die op klaarlichte dag nooit zou kunnen verzinnen.
Daarna komt de rust en kan ik een klein gat in de morgen slapen.
Als ik bij het krieken van de dag mijn ogen uitwrijf en de dansende lettertekens weer tot woorden maak (ik noteer mijn invallen in het donker…) gebeurt het dat ik verwonderd ben over de samenhang van die, letterlijk, zwevende zinnen.

Wie mijn hoofd, of mijn denken, overneemt tijdens de nachtelijke uren, die zou ik het liefst ook overdag af en toe een blad papier toestoppen, maar helaas.
Overdag neem ík het over en bij gebrek aan inspiratie, of vocabulaire, verval ik
regelmatig in clichés, hoewel ik daar een gloeiendhete hekel aan heb.
In mijn wakkere hoofd schuilen geen neologismen. Daar noem ik pijn moordend, de nacht donker, de zonsopgang...? 'Zonsopgang'.

Zo komt het dat ik vannacht in die onnatuurlijke staat van helder bewustzijn, en nadat ik zeker een uur lang naast de slapende hond zielig had zitten te wezen, van pure ellende geen zinnig woord op het papier vóór mij kon schrijven en dan maar de kloppende pijn probeerde weg te dringen door mij te concentreren op het boodschappenlijstje voor deze morgen.
Het telefoonnummer van de tandarts zocht ik ook nog even op.
Die staat tussen de bloemkool en het varkenshaasje, of iets wat daar op lijkt.
Zelfs wakker is mijn schrift-zonder-licht nog hanenpotiger dan wanneer ik half slapend mijn ingevingen noteer. Of hoe bedroevend kan de toestand van een mens zijn als de wanhoop regeert…

Met de opgaande zon, en het licht in mijn ogen, verzachtte de pijn, maar mocht ik een man zijn, dan was ik nu een mietje, want ondertussen liggen de bloemkool en het haasje al in de koelkast, maar de tandarts is nog niet gebeld.
Ik geef het toe. Hij is niet mijn vriend, hoewel zéér vriendelijk. Maar ik heb schrik, dus stel ik het maar uit.

Ik bel hem straks wel, als de honger te groot wordt, en ik eindelijk besef dat leven zonder eten geen optie is. Of toch niet een heel leven...
Tot die tijd hou ik me bezig met boodschappen plannen. Van al het lekkers dat ik straks weer achter mijn kiezen steek. 
Tenminste... als die kies het overleeft...


woensdag 4 april 2012

En toen was er stilte...


En toen was er stilte…
Lamgeslagen was ik. Door al wat dichtbij en veraf gebeurde, en nog gebeurt.
De drama’s volgen elkaar op.
Ongelukken, moordpartijen.
Kinderen en andere onschuldigen laten het leven op een onverwacht moment.
En telkens weer dat vreselijke woord…: ‘slachtoffer’.
Zestiende-eeuws en letterlijk: ‘offerdier dat geslacht wordt’.
Hoewel doorheen de tijd die betekenis niet meer woordelijk wordt genomen, blijf ik die slachting en dat offeren erin horen en ik blijf het vreemd vinden waarom er geen ander woord gangbaar werd om die mensen te benoemen die door ongeluk beproefd worden.
Waarom niet ‘de getroffenen’, ‘de noodlottigen’, ‘de verongelukten’ of een andere minder gewelddadige benaming…?

Het is een feit dat sommige mensen echt, en letterlijk, slachtoffer zijn.
Zij die met geweld afgemaakt worden in oorlogen, razernij.
Maar er zou een nuance moeten zijn tussen het benoemen van diegenen die in een ongeluk, of door ziekte omkomen en diegenen die met opzet koudweg gedood worden.
Het woord ‘slachtoffer’ vind ik te krachtig om de kinderen en hun begeleiders te benoemen die omkwamen in het busongeluk te Sierre.
Het snijdt in hun onschuld.
Het maakt hun ‘zijn’ harder.
Het geeft het gevoel dat er iemand schuldig is.
Dat zou dan de persoon moeten zijn die de verongelukten tot slachtoffer maakte.
En daar klinkt opzettelijkheid in. Maar ook hij liet het leven…

De stilte zal nog lang dreunen in de kamers waar vroeger werd gelachen.
De pijn van het gemis zal voor altijd wegen. En alle nieuws over verlies zal persoonlijk beleefd worden. Herbeleefd.
Zij die achterblijven, en geacht te worden door te gaan in dit leven, zullen gebukt gaan onder de herinnering van het verleden.

En de wereld draait door…
Het mensdom draait door…

Tijd is genadeloos.
Of genadig…?

Laat hem vooral helend zijn, en mild, voor zij die gehavend door het leven moeten.
En bikkelhard, tot in de eeuwigheid, voor zij die ongenadig over lijken gaan.




donderdag 15 maart 2012

De mildheid van deze dag...


Vanaf vandaag is het voor mij officieel: het is lente.
Zes dagen te vroeg om volgens het boekje te zijn, maar zij hebben ze voor mij ingeluid…
Ik verklaar mezelf:

Ik zag de eerste stoutmoedig het huis inkomen en onmiddellijk plaatsnemen op een keukenstoel.
Waarschijnlijk had de geur van mijn pruttelende tomatensaus haar aangetrokken.
Ik vroeg haar nog of ze vond dat dat kon, zo ongevraagd aan de tafel komen zitten, maar ze bleef er stoïcijns bij en fixeerde mij met haar donkere ogen die eigenlijk niet veel goeds voorspellen.
Maar goed, ze zat niet in de weg. Ze stoorde mij ook niet in mijn bezigheden, dus ik liet haar maar begaan.
Ik maakte de maaltijd af, zonder om te kijken, en zag, toen ik de potten op de tafel wilde zetten, een lege plek.
‘Ok, die is ervandoor,’ mompelde ik nog, tot ik een zacht liedje in mijn oor hoorde en haar door de keuken zag dansen met haar compagnon.
Waar die vandaan kwam…? Geen flauw idee.
Ze genoten zienbaar van hun samenspel. Geen tijd meer om in de kookpotten te kijken, er moest gewalst worden!
Waarschijnlijk om de eerste warmte te vieren…

We aten in de zon, achter het glas van het keukenraam, maar daar hadden zij geen ogen naar.
Ze draaiden levendige pirouetten, zonder pauzes, zonder moe te worden.
Ik zat hen boven mijn bord gade te slaan. Zo’n energie… daar kan ik in deze tijd alleen maar op hopen.
Voorlopig slaat de voorjaarsmoeheid toe, ongenadig, en dwingt mij om in een paar versnellingen lager door mijn dag te gaan.
‘Kruipen’ zou een beter woord zijn voor het tempo waarmee ik mij door mijn dagen sleep, maar de halve eeuw ervaring heeft mij geleerd dat dit een tijdelijke hapering is.

Daar zijn zij het voorbeeld van.
Een hele winter verscholen in donkerte en schaduw en nu, met de stijgende temperatuur, lijken de batterijen plots weer opgeladen.
Of zijn ze pas geboren..? Ik weet het niet.
Zo goed ben ik daar niet van op de hoogte.
De zon doet hen goed. Zoveel is zeker. En ik heb vandaag ook al iets meer gepresteerd dan gisteren en de dagen die daarvoor lagen.

Er zit er één te gluren naar mij, terwijl ik dit typ.
Op mijn bureau zit ze, slim te wezen.
Ondertussen is het een traditie geworden dat ik de eerste die ik in dit nieuwe seizoen zie, ongemoeid laat.
Voor mijn zielenrust zeker…? Of de zielenrust van al haar voorouders die ik ongenadig een kop kleiner heb gemaakt…?
Deze mag blijven leven.
Ze mag me de hele lange avond aankijken, uitdagen, beschimpen en wat nog meer.
Ik raak haar met geen vinger aan.

Ze beseft wellicht niet hoe belangrijk mijn gemoedsgesteldheid voor haar is.
Of ik morgenvroeg nog zo zen zal zijn, is maar de vraag.
Vandaag werden ook mijn batterijen al wat opgeladen.
Het zal morgen een kleine moeite zijn om op zoek te gaan naar mijn aloude vertrouwde ‘terminator’.
Een plastieken tuig. Simpel. Een steeltje met daarbovenop een rechthoekig fijn rastertje.
Je mept ermee en… weg vlieg!

Maar voor nu is het peis en vree en genieten, mijn vlieg en ik, van onze eerste lentedag.

Ps. De dochter had er minder moeite mee om de compagnon te liquideren toen die zich naast haar wilde nestelen in de zetel.
Zijn graf ligt onder een sigaret in de asbak…
Mijn vlieg lijkt er niet om te treuren.


Geen troost...


Ik ben een moeder.
Ik kan niet anders dan huilen om wat gebeurde.

Mijn hart weegt zwaar nu.
Mijn geest sputtert want hij kan hun pijn niet verlichten, hun gemis niet invullen.
Er is geen troost voor zij die verder moeten.

Armloos.
En woordenloos.


Zij. 
En ook ik.

Ik zwijg, en leef in stilte mee.


zondag 4 maart 2012

Leef-tijd...


Soms schrik ik van mezelf als ik in de spiegel kijk.
Stilaan zie ik de sporen van bijna een halve eeuw, terwijl ik in mijn hoofd nog maar ‘pas’ de man van mijn leven ontmoette en samen met hem de clichématige stappen ondernam van te trouwen, huisje te bouwen en gezinnetje te beginnen.
Onze eerste blikken wisselden we nu al eenendertig jaar geleden…

Heel af en toe ervaar ik een kleine vlaag van paniek als ik bedenk dat er nu al meer tijd achter mij ligt dan voor mij. En er is nog zoveel dat ik wil doen.
De jaren vliegen voorbij. Dag na dag, uur na uur, minuten en seconden na mekaar, en er staat geen rem op. Je kunt niet zeggen: en nu ‘stop!’ om eventjes tijdloos de tijd te nemen zonder dat schuldgevoel van weer een stukje leven te hebben verkwist door niets te doen.

Het overkomt mij dat ik tijd een indeling geef die tegelijkertijd boeiend, maar ook relativerend is.
Ik schets een idee:
Mijn grootvader zaliger werd honderd jaar oud.
Zijn leven begon in 1891, en als ik erover nadenk hoe die man zijn wereld heeft zien veranderen, na twee wereldoorlogen, in één mensenleven… Ongelofelijk!
Zijn leeftijd bracht mij bij de volgende bedenking:
Onze tijdrekening start bij het jaar nul.
Zet twintig eeuwlingen zoals mijn grootvader na elkaar ; twintig mensen die elk om beurt honderd jaar worden en je zit aan het jaar 2000.
Doorheen die levens van die twintig eeuwlingen loopt een hele geschiedenis…
Zo’n gedachte vind ik intrigerend.
Tweeduizend jaar herleiden tot een rekensom van 20 keer 100 jaar en tijd lijkt opeens korter te worden…

Het gebeurt dat mijn geest puberale opstoten krijgt, maar dat mijn lijf niet mee wil.
Zo moet het voor ons ma zijn, met haar bijna 88 jaar.
In één jaar tijd: fiets weggegeven, auto weggedaan, looprekje gekregen… Haar wereld beperkt tot haar appartementje en een sporadische uitstap met de auto naar één of andere dokter.
En haar geest hinkt haar lijf, gedwongen, achterna.
Terwijl er nog zoveel dromen in haar ogen liggen, die ze soms uitspreekt.

‘Niets is erger dan gevangen te zitten in je eigen lichaam…’, was wat ze zei.

Daarmee zegt ze alles.
Daarmee weet ik wat mijn, en ieders, dramatische toekomst is.
Tenzij je eerder gaat…