zaterdag 9 februari 2013

Annemie Struyf achterna...


Lang geleden dat ik nog een kerk was binnengegaan, tot vorige week…
Nu ja, een kerk…
Kerkje, of kapel, past beter bij het kleine sobere gebouwtje dat deel uitmaakt van het klooster van de karmelietessen.
Geen rijk vergulde ornamenten daar. Wel een reeks etsen die de lijdensweg van Jezus uitbeelden en een paar beelden van heiligen.
Dewelke..? 
God, sla me dood! Maar ik vermoed dat er een heilige Theresia op een voetstuk stond.
Zij was het die honderden jaren geleden, in de zestiende eeuw, de kloosterorde zoals zij nu nog bestaat, oprichtte.
Enfin, niet echt oprichtte… 
Er bestaan al karmelieten van in de veertiende eeuw, maar zij hervormde die gemeenschap en vanaf dan werd er een onderscheid gemaakt tussen geschoeide en ongeschoeide karmelieten.
De kapel, waar ik die zondag op een veel te lage en harde stoel ging zitten, behoorde tot de laatste ‘afdeling’ van de zusters van de Karmel. De ongeschoeide dus.

Ik was er om te vieren.
De schoolvriendin van mijn tante was vijftig jaar geleden toegetreden tot de kloosterorde, en ging die zondag haar geloften van eeuwigdurende liefde voor Jezus hernieuwen.
Zoals sommige koppels met hun jubileum hun trouwbeloften overdoen voor God, familie en vrienden, zo werd ook deze dienst opgedragen aan het koppel: zuster Agnes en de Heer Jezus.
Uit liefde voor Hem had zij als jong meisje van achttien afscheid genomen van het wereldse en zich teruggetrokken in een slotklooster waar het verboden was te spreken en zich te interesseren in de buitenwereld.
Ruim vier jaar later werd zij officieel karmelietes.
Het grootste deel van de dag werd en wordt er gewijd aan gebed en afzondering.
Die afzondering wordt benadrukt door effectieve tralies die de zusters afscheiden van de rest van de wereld.
Zo ook die zondag.

De kleine kapel loopt halfvol met familie en vrienden.
Een pater vooraan, ook een karmeliet maar met duidelijk meer vrijheid, leidt de dienst. 
Het instituut ‘Kerk’ handhaaft de eeuwenoude discriminatie tussen man en vrouw, maar hier geen geklaag…
Geen non die het onrecht uitschreeuwt en zich tegen de tralies werpt die aan de zijkant van de kapel de grens bepalen tussen de buitenwereld en het klooster.
Neen, ze zingen gedwee en onzichtbaar voor ons, maar vooral voor de Heer.
Kippenvel. Toch wel.
Hun stemmen klinken helder en jong, en met een zekere levendigheid.
Dit is echt een viering.
De klank van een gitaar begeleidt hun gezang. Ik meen in een muziekstuk van Bach een citer te herkennen. Ongelofelijk hoe heilig een citer kan klinken, vooral in die serene omgeving…
Mocht ik niet beter weten, dan zou ik geloofd hebben dat dit een koor van jonge meiden was die, uit liefde voor de muziek, de zondagsdienst opvrolijken.
Ik wil zien wie daar zo hemels zingt maar het strekken van mijn hals haalt niks uit.
Er is geen non te bekennen.
Ze lezen stukken tekst voor die ik kan volgen in het ‘dienstboekje’.
Het moment dat zuster Agnes haar geloften hernieuwt, klinkt een gelukkige en jeugdige stem en tegelijkertijd zie ik het beeld van een jonge novice die eindelijk haar doel heeft bereikt: leven in dienst van de Heer.
Is het door het dagelijkse zwijgen dat hun stem zo onbezoedeld klinkt…? (De jongste onder hen is een zeventiger!)
Zijn zij de levende engelen…?

Het leven van een karmelietes is hard. Zo weet de pater te vertellen.
Ze ‘arbeiden’, bidden, zetten, een leven lang, hun eigen wensen en verlangens aan de kant om de heer Jezus te dienen in liefde. Liefde met een grote L. En de Liefde is wederzijds. Ze is verzegeld. Daar bestaat zelfs zekerheid over…
Welke zekerheid is me ontgaan, maar de pater sprak over zuster Agnes en de heer Jezus alsof zij het enige heilige liefdeskoppel op de wereld waren… 
Nochtans bestaat de orde uit meerdere zusters. Nu nog zo'n stuk of tien in dat bepaalde slotklooster. Wereldwijd wellicht een tienvoud of honderdvoud daarvan...
De gedachte mijn geliefde te moeten delen met ontelbare ‘medezusters’ lijkt me ondraaglijk. Toch is dit geen te negeren feit. Er zijn meerdere zusters die dezelfde liefde ervaren…
Hoe moedig, of overtuigd, (of stom..?) moet je zijn om al je hebben en houden overboord te gooien, je familie en vrienden vaarwel te zeggen, en je te hullen in stilzwijgen, ver weg van de maatschappij met al zijn verleidingen, ver weg ook van diezelfde maatschappij met al haar noden…
Is het ongehoord dat ik me afvraag waarom deze levenslustige en kranige vrouwen decennia lang hun tijd verkwistten met bidden en vroom zijn als teken van hun eeuwige liefde voor hun ‘Jezus’, terwijl buiten de muren van hun klooster zoveel mensen in nood zijn, waar geen gebed wat kan aan verhelpen, maar een paar werkende handen of troostende woorden dikwijls wonderen kunnen doen..?

Heb ik het heilige doel van deze kloosterorde helemaal niet begrepen…?
Wat is het nut van de tralies? Kwamen zij niet uit vrije wil…? Ik vermoed dat geen van hen een poging tot ontsnappen zou overwegen..
Qua symbool gelden de tralies als grens tussen het klooster en de buitenwereld, maar alweer, doet de vrije keuze voor dit leven vermoeden dat zo'n tralies overbodig zijn...
Waarom moet contact met familie beperkt worden tot één keer per drie maanden?
Vrezen zij de invloed van menselijke liefde en warmte..?
Waarom mag het klooster niet verlaten worden door de karmelietes bij het overlijden van familie en wordt zij vertegenwoordigd door haar mannelijke collega, de karmeliet, op de begrafenis…? Wat is daar de discriminerende (on)zin van..?
Waarom moest de karmelietes destijds dubbel gesluierd worden en achter dubbele tralies zitten op het bezoekmoment zodat zij onherkenbaar was en ook haar bezoek niet kon zien…? Wat zou de verleiding dan wel kunnen zijn..? Is er zo weinig vertrouwen in de ‘dienaressen’ van de Heer?
Wat is de zin, of onzin, van het ongeschoeide..?
Gelukkig heeft de reuma daar zijn bijdrage geleverd en mogen de zusters tegenwoordig sokken dragen om gewrichts- en spierproblemen te vermijden..

Zoveel vragen kwamen bij me op, tijdens dat bezoek aan het klooster.
Zoveel onbeantwoorde vragen, tenzij je alles op de Liefde steekt…
De allesomvattende Liefde. De reden van dit kloosterbestaan.

De nonnen waren in hun nopjes, die zondag.
Het ging er blijkbaar iets ‘losbandiger’ aan toe, vanwege het jubileum.
Zuster Agnes kreeg cadeaus en kaartjes die via een doorgeefluikje bij haar achter de tralies terecht kwamen. Ze zou die kaartjes ’s avonds voorlezen aan haar medezusters tijdens het ontspanningsuurtje.
Twee keer per dag mag er één uur gesproken worden, maar liever niet…
Het spreken moet beperkt worden.
Vroeger ontwikkelden de slotzusters een soort van gebarentaal om duidelijk te maken dat de melk op was, of zo…
Tegenwoordig mag het iets soepeler en moderner. 
De zuster die het tekort opmerkt, mag zeggen: ‘Melk op’. 
Dat mag men 'vooruitgang' noemen.

Over heel de lijn is het kloosterleven daar iets minder strikt geworden.
Er staan geen doodskoppen meer op de tafel tijdens het eten, om hen te herinneren aan de eindigheid van dit leven. 
Er komt nog steeds geen vlees op tafel, maar goed, ook dat is tegenwoordig ‘hip’.
De tralies hebben grotere gaten en er is ook maar één enkel traliehekken.
De zusters zitten niet meer dubbel of enkel gesluierd. Je mag hun stralende zelf zien achter die tralies.
Er mag al eens getelefoneerd worden, zij het volgens een ‘gevangenisregime’ van één keer om de zoveel tijd en om dit of dat uur….
Er mag al eens een gecensureerde krant gelezen worden…

Voor de rest is de tijd daar blijven stilstaan. Dat was zo overduidelijk.
Alsof je een sprong van een paar honderd jaar in het verleden maakt.
En laat dat nu net zo intrigerend zijn, en zo pakkend.
Ondanks de vele vragen voelde ik toch een diep respect voor die oude zusters die heel hun leven opofferden aan hun geloof ; aan het geloof in hun geliefde Jezus die ze met zovelen moeten delen.
En toen ik zuster Agnes zag stralen achter de tralies tijdens het spreekuurtje, dat nu een receptie-uurtje was met wijn en zoute koekjes (voor ons, niet voor de zusters), bedacht ik: hoe zalig moet het zijn om geen, of weinig zorgen te hebben… om je gewoon neer te leggen bij het feit dat ‘leven’ niets meer of minder is dan te geloven dat iemand je lief heeft… ook al kun je Hem niet zien, voelen of horen…
Een leven lang zwijgen, bidden en geloven dat Hij jouw bruidegom is en jij Zijn bruid… en dat er Liefde is. Tot in de eeuwigheid…
Daar kan alleen een ‘Amen’ op volgen…Een 'Het zij zo' …
En wellicht is het goed zo.
Wie weet wat zij, door haar gebed, al heeft bekomen van haar geliefde Jezus…
Wie weet was de wereld  veel lelijker geworden zonder haar gebed...
Laat dan het heilige en vrome maar veilig achter de tralies zodat niets of niemand het bezoedelt!

Als de tralies dié grens kunnen betekenen tussen het Allerhoogste en het allerlaagste, laat ze dan maar dubbel zijn, en de zusters gesluierd, óók dubbel, en hun vraag naar Liefde nóg dwingender en sacraler, tot ver boven onze wereldse oppervlakkigheid uit.
Dan is niets voor niets geweest.
De tijd niet.
De Liefde niet.
Het gebed niet.

Daar wil ik nog in geloven.







zaterdag 2 februari 2013

Bescheidenheid...


De wereld is weer hard geworden.
Een tijd lang leefde ik in de waan van een milder geworden volk.
Alsof de mensheid, na een nacht sneeuw, gereset was en met een maagdelijke, en meer vriendelijke geest de nieuwe dag instapte.

Mensen liepen ineengedoken, maar met een glimlach, op het witte pad en je kon hun voetsporen tellen… Je kon zien hoeveel er vóór jou dezelfde kant waren uitgegaan.
Vóór mij, zag ik iemand stappen in de voetafdrukken van anderen. 
Het leek op een spel, maar daar was hij te oud voor. 
Wellicht was hij op zoek naar zekerheid. 
Lopen, precies daar waar anderen je voorgingen, geeft een gerust gevoel. 
Het gevaar ligt in het onbetredene…

Sommige mensen spraken me aan. 
Zomaar. 
Alsof de gladheid van de weg ook hun tong gladder had gemaakt. 
Buren die ik de stempel 'doof' had gegeven, gezien de vele mislukte pogingen van mijn kant om hen te dwingen tot een ‘Goeiedag!’, begonnen spontaan het weerbericht uiteen te zetten want ja, de sneeuw zou blijven liggen, en het zou ook nog vriezen, en minstens een week zouden we glibberend de straat uit moeten, en ziet eens hoe de weg erbij ligt…

Samen met het zoeken naar hun evenwicht, leken zij die ik kruiste en waarvan ik nooit eerder een vriendelijke blik kreeg, hun arrogantie te verliezen.
Iedereen moest het hoofd buigen om heelhuids de dag door te komen…
Een houding die hen niet ligt, en ze leken zich te verontschuldigen voor hun waggelende en aarzelende gang.
Minder stoer. Minder nors. Bijna kinderlijk en vrolijk, maar vooral gegeneerd… Alsof ik hen betrapte op een beschamende daad…

Met het slenken van de sneeuw, werden de passen weer kordater.
Geen geaarzel om naar de auto toe te stappen. 
De neus in de wind. 
Portier open. 
Portier dicht. 
Geen tijd voor een blik, of een ‘goedemiddag’.

Met het verdwijnen van het wit, heb ik geen idee meer hoeveel mensen vóór mij dezelfde kant uitliepen.
De weg heeft weer zijn eigen grijze, levenloze kleur.
Maar in de graskant zag ik de witte hoofdjes van frêle madeliefjes.
Ze hebben de koude overleefd.
Straks worden ze weer platgelopen door zij die niet willen gaan waar anderen hen voorgingen…

Of hoe bescheidenheid kan smelten, als sneeuw voor de zon…

Post-gedichtendag 2013, thema 'Muziek'

Herinnering aan mijn kindertijd



Moeder zong


Als kind nog
Als kind toen
-nu zo lang geleden-
zong zij
zong mijn moeder over Ireentje
Ireentje dat thuis kwam
en ‘t was een engel

Zij zong, mijn moeder
De stofdoek in haar hand
Ik, de stofdoek in mijn hand en huilen
Want ’t kind ging dood
’t Was van de hongersnood

En zij,
mijn moeder,
zij zong
Mijn tranen voorbij
Mijn snot voorbij
Mijn natte stofdoek voorbij

De kamer proper.
Het kind met het lied gestorven.

Mijn moeder leeft
maar zingt niet meer

Ze huilt…

maandag 7 januari 2013

Ik, arme dichter...


Nooit gedacht dat ik in het jaar 2013, het jaar dat ik een vijftigplusser (+1!) word, nog op mijn spreekwoordelijke paard zou springen en zou vechten tegen – meer dan waarschijnlijk – een bierkaai… maar wel een kaai!

Op dit moment realiseer ik me, dat ik na ruim een halve eeuw, eindelijk EINDELIJK de moed bijeen heb geraapt om op te boksen tegen een onrecht dat ik persoonlijk ervaar. 
Ik vecht wel meer tegen onrecht als het mij niet aanbelangt maar wel raakt. Dan vecht ik voor een ander. Dat is zoveel gemakkelijker...
Dit hier is een stom onrecht. Eigenlijk niets wereldschokkends, maar toch onrechtvaardig, dus vandaar mijn strijd.

Zoals ieder jaar rond deze periode valt in mijn mailbox de vriendelijke uitnodiging om deel te nemen aan de gedichtendag. 
Ik dicht, dus ik ben welkom op die dag om mijn schrijfsels voor te dragen.
Dat doe ik nu al een aantal jaren op rij, in de plaatselijke bib, in een achterzaaltje en op een podium dat er eigenlijk geen is, maar soit, er wordt tijd en plaats gemaakt voor mijn geliefde: ‘het woord’, dus ik ben dankbaar…
Zoals ieder jaar bevestig ik met enthousiasme mijn aanwezigheid die avond en stel mij borg voor een viertal gedichten van eigen makelij, dit keer rond het thema ‘muziek’.
Muziek is er altijd, als interludium. Ook de plaatselijke muzikale amateurs mogen ‘het podium’ van de dichter gebruiken om hun talent te etaleren.
Mooi, zou je zeggen…
En het is ook mooi. Een perfecte aanvulling van het woord op de hoogdag van de poëzie.

Zo dacht ik er ook over. Tot vandaag. Tot het aan mijn oor kwam dat de plaatselijke amateuristische muzikale omlijsting telkens rijkelijk vergoed wordt met bedragen tussen de honderd en driehonderdvijftig euro…
En wat krijgt de plaatselijke amateuristische dichter op zijn gedichtendag…? Naargelang het budget: optie 1: niets, optie 2: één roos, optie 3: een kleine doos pralines.
Mooi als geste, maar in vergelijking met wat de muzikanten opstrijken, een armoedige aalmoes.
Bovendien krijgen die muzikanten bovenop hun vergoeding ook die roos, of die doos pralines.
Zij die vertolken, worden beloond.
Zij die creëren, worden geacht dankbaar te zijn dat zij worden uitgenodigd en mogen voordragen. Met de nadruk op ‘mogen’…

Is het vreemd dat ik daar een zeker onrecht in voel?
Dat ik vind dat op gedichtendag vooral de dichter de appreciatie moet genieten en daar eventueel mag voor beloond worden?
Ik vermoed dat het bestuur van de bib een subsidie ontvangt voor de organisatie van een gedichtendag maar dat zij ervoor kiezen om daarmee de muzikanten te betalen en de dichters met een prul naar huis te sturen, en daar ben ik niet langer mee akkoord.

Vandaag voel ik me een onnozel mens, omdat ik blij en dankbaar was met die uitnodiging om voor te dragen.
Vandaag voel ik het alsof ze ons uitlachen, wij, de plaatselijke dichters die al lang blij zijn dat er wat aandacht is voor poëzie en eventjes op een podium mogen staan in de schaduw van de muzikanten…

Wel, ik pik het niet meer.
Want wat zou een gedichtendag zijn zonder de dichter...?
Waarom zou ik blij moeten zijn te mogen voordragen, gratis, voor niets, terwijl ik weet dat de muzikant – ook een amateur- voor zijn aanvulling goed betaald wordt?
Waar staan wij, als dichters, op de gedichtendag, herhaal ik nog maar een keer…

Wij steken er tijd en energie in om te werken rond een opgelegd thema.
Nachtenlang schrijven en herschrijven en lezen en herlezen… Twijfelen. Stress.
En waarom?
De appreciatie gaat sowieso naar de muziek, naar het gekende, het vertrouwde, de meezingers.
Soms komt er een klein formeel compliment na afloop voor de dichter, waarvan die zich nog kan afvragen of het wel gemeend is, gezien de inhoud ervan. Meestal gaat het niet verder dan: proficiat, ’t was goed.
Ok dan. ’t Was blijkbaar goed. 
Het werk en de roos waard…?

Waarom die verdoken minachting voor de schrijver, want zo zou je het op den duur aanvoelen, en de bejubeling van de zanger?
Ofwel moet iedereen die avond gratis vullen, vind ik, ofwel moet iedereen gelijk vergoed worden.
Elke amateur dezelfde beloning voor zijn inzet en werk.
Dat zou rechtvaardig zijn, denk ik zo.
Wij, dichters, verdienen dezelfde appreciatie en vergoeding voor ons werk.
Zou de zanger zingen voor niets, één roos, of een kleine doos pralines...?

De mail aan de bibliothecaris zit in 'mijn concepten', klaar om verstuurd te worden.
Ik moet alleen nog mijn paard op, en die bierkaai over…
Wie mij wil tillen, door wat commentaar te laten, heel graag!
Helaas is de spaarpot leeg om u daarvoor te vergoeden…
Ik, arme dichter…


dinsdag 1 januari 2013

We gaan door, tot het eind!


Dat we het overleefd hebben, het doemjaar 2012…!
Gedoemd om te vergaan, waren we, zo net voor de Kerst. En soms werd het met zoveel overtuiging verkondigd, dat ik, met mijn nochtans oerdegelijk en nuchter verstand, mezelf een nanoseconde betrapte op twijfel de dag dat ik aan de keukentafel ging zitten met mijn kookboeken op een toren naast mij om het menu voor oudejaar op te stellen.
Zou ik die moeite nog wel doen? Misschien hoeft het niet meer als we toch van deze aardkluit verdwijnen…?
Eén belachelijk kleine seconde kwam die gedachte mij goed uit zonder er echt in te geloven.
Niet meer dan gemakzucht was het, want ik kon wel interessantere dingen bedenken om te doen op dat moment dan me de vraag te stellen: wordt het hertengoulash of toch maar hertengebraad..? Er zou trouwens geen hert meer te bespeuren zijn op de dag des oordeels. Geen kip zou het overleven, en waarschijnlijk ook geen enkel ei.
Als de wereld vergaat, dan vergaat die goed en helemaal. Zoveel is zeker.
Dat iemand het in zijn hoofd haalt daar een precieze datum op te plakken, lijkt me meer dan absurd. De meest gerenommeerde weerman slaagt er nog niet eens in om voor een week het weer te voorspellen, maar het einde van de wereld dat is voor 21 december. De machtige mystieke Maya’s zijn slimmer dan onze weerman!
Heel die hysterie omdat een volk geen zin meer had om de kalender bij te houden…
Zij stoppen met tellen, en dan zou de wereld stoppen met draaien…?
Amahoela, zouden onze buren, de Nederlanders zeggen, en nog wat oliebollen bakken op oudejaar en een vuurpijl de ruimte inschieten met een post-it erop: ‘Eat your heart out, Maya people, we keep on turning and living!’. Een Nederlander houdt van een woordje Engels…
Hm, oliebollen… Misschien een ideetje voor het grand dessert…?
Die dag, aan de keukentafel, tartte ik het noodlot en stortte mij, tegen alle waarschuwingen in, op de berg boeken. Bergen bieden redding…, zo schijnt het.
Een hele schepping beesten en planten én organismen zouden mijn menu bevolken. Oesters, fazanten, kastanjes, herten, zwammen, kwartel-en kippeneitjes, zeewier als nepkaviaar, gist, een waaier aan groenten en fruit. Een viering van het leven zelf, maar dood gebracht op het bord…
En dat ik me daar net slecht over voelde.
Niet de hele wereld zou vergaan, maar een deeltje ervan zou wel dood belanden op ons bord…
De mens duidt een datum aan op een kalender en viert feest  ten koste van een ander leven dat eindigt waar de vraag begint: hertengebraad of hertengoulash..? En fazant in het voorgerecht..? Of kikkerbilletjes met look..?
De feestdis ligt nog steeds op mijn maag, maar de wereld draait door.
Gelukkig.
De haan kraait de morgen bijeen.
Een nieuwe dag. Een nieuw jaar.
2013 en we gaan door, tot het eind!

maandag 4 juni 2012

'Die van de Schoonstraat.' (inleiding en eerste deel)


Inleiding


Ze bestaan nog, die onooglijke oeroude straatjes.
Weggemoffeld, onttrokken aan het licht, liggen zij grijs hun geschiedenis uit te ademen.
De huizen neus aan neus. De ogen achter de gordijnen op elkaar gericht.
Generaties lang komt hetzelfde soort volk zich verschuilen in die uithoeken. Ieder met zijn eigen verleden, zijn eigen verhaal. “Randgevallen”, door geboorte of omstandigheden gedoemd zich van de middenklasse af te zonderen.
Zij lijken zich te vereenzelvigen met de gescheurde muren en afgeschilferde gevels.
Stuk voor stuk werden zij beschadigd, een commune van gebroken levens.
Geen werk, geen geld. Geen liefde, geen zin om in de pas te lopen, ziek…
En ze blijven er wonen.
Waarschijnlijk omdat het niet nodig is zich te schamen voor de buren, het zijn hun lotgenoten.
Bovendien is de huurprijs er laag, naar hún vermogen.
Zelfs de straatverlichting lijkt op hen afgestemd. Vooroorlogse, sobere lantaarns staan langs het anderhalve meter brede wegdek.
Een volle maan geeft meer licht.

Het is niet anders in de Schoonstraat, een godvergeten doodlopend straatje ergens in een uithoek van een noordelijke grensgemeente.
De koten staan er dicht op elkaar, beroven elkaar het licht.
Alleen de kleine achtertuintjes aan de linker straatkant vangen nog wat zon omdat daarlangs “de vaart” loopt. De bewoners zien er, vanuit hun woonkamers, de kolossale zeeschepen voorbijvaren, terwijl de deuren rammelen en de grond onder hun voeten davert van die enorme motorkracht. Hun frêle huisjes bibberen van angst.
Miljoenen -in geld- trekken dagelijks aan hun achterdeur voorbij. Meedogenloos.
De industrie kent geen medelijden. Ze pompt de lucht vol dioxines en vergiftigt de schamele grond. Zelfgekweekte gewassen zijn er verboden vruchten. Ook dat wordt hen niet gegund, het plezier van hun eigen patatten en prei klaar te maken. Zoveel goedkoper, zoveel smakelijker…
Er wonen mannen die zich letterlijk kapot hebben gewerkt, tot ze niet meer konden en door hun stinkend rijke bazen bedankt werden voor hun diensten.
Zij wonen nu in de schaduw van de miljardenbedrijven.
In het donker is het knokken om te overleven.
En zij die het beter hebben, roepen smalend : “In de Schoonstraat… daar zit ’t schoonste volk!" 
“Dat ras !”, “Dat crapuul !” of, met geveinsd meevoelen, “Die dutsen…”.

In die straat heeft niet ieder huisje zijn kruisje. Het geloof is er ver te zoeken.
Er wordt gevloekt, tegen de sterren op.
De deken die er woonde, werd met rust gelaten. Hij mocht enkel schaap zijn met de schapen en zolang hij zich daar aan hield, werd zijn aanwezigheid getolereerd.
Hij werd priester gewijd en nam zijn taak van “herder” op in een andere parochie.
Zijn huis, het best onderhouden gebouw van de straat, werd na enkele weken ingenomen door het gezin Vermassen.
Vader Vermassen, de vleesgeworden duivel, woont nu alleen in de Schoonstraat nummer 4…



Vermassen Ludo
Van nummer 4


Elke ochtend worden zij van de Schoonstraat, ongewild gewekt door het onophoudelijk geblaf van twee afgrijslijke honden die schuimbekkend de opkomende zon verwensen.
Om één of andere reden schuwen zij het daglicht, of is het de warmte die hun kille leven ontregelt ?
Vermassen schrikt wakker en vloekt dat het huis ervan gaat kraken.
Zo begint hij elke dag met het tarten van het noodlot, de beesten de eeuwige jachtvelden toewensend en zijn kop stotend tegen het ijzeren raamkozijn.
De bulten zijn niet meer te tellen.
Het ritueel vervalt echter als, na een lange nacht van zwaar zuipen en nog zwaarder dansen op tranentrekkende muziek, hij met een zwalpende, verdoofde kop de trap niet meer vindt en hij zich beneden op een stoel laat neerploffen.
Zijn hoofd bengelt aan zijn nek. Het kantelt en knikt en wiegt alsof zijn dromen hem meenemen op stormachtige zeeën. Het klotsende bier doet zijn kop deinen.
En ochtend wordt dan middag. Zo mist hij de beesten maar vloeken doet hij toch als hij ontwakend tegen de tafel aanloopt en een flits van licht als een priem in zijn oog schiet. Even hard verwenst hij de dag die voor hem ligt als alle nachten die hij eenzaam en verbitterd, met zichzelf dansend en wentelend in zelfmedelijden verzuipt in de schaduw van het volkscafé.

Vermassen, “de Ludo”. De Schoonstraat kent hem, en zijn honden. Arme beesten…
Hij had een vrouw en kinderen…
De Ludo slaat zijn honden. Hij schopt ze verrot. Dat doet hij al jaren.
Hij sloeg ook zijn vrouw. Niet zijn kinderen, maar de kinderen keken toe en ’s anderendaags zag de buurt dat zijn vrouw “af de trap was gevallen”… Het stomme wijf.
Vorige herfst kwamen de mannen van de dierenbescherming.
Ludo was er niet. 
Zijn vrouw weende zachtjes en beloofde een hok voor de beesten, voor als het regende. Dan moesten ze niet meer onder de auto te schuilen.
Ze bouwde een hok en de Schoonstraat keek toe. Arme beesten. Ze mogen niet binnen.
En toen Vermassen thuiskwam na zijn nachtje “I’m lonely without you”, zag hij het hok, schopte de boel en de honden kapot en liet zijn vrouw “af de trap tuimelen”. De kinderen huilden.
De buren keken toe van achter de gordijnen hoe zij ’s morgens krampachtig de gebroken planken aaneen timmerde waarbij de honden dreigend en grommend om haar heen liepen en niet zagen dat zij even gekwetst was als zij. Ze had een hondenleven.
Vermassen vloekte ’s middags voor het hok zijn keel kapot, verzoop in al zijn woede de motor van zijn oude diesel en vertrok te voet naar het volkscafé.
De Vrouwentongen, op schoteltjes van afgedankte serviezen, die de klanten moeten afschermen voor nieuwsgierige voorbijgangers, wierpen langgerekte schaduwen over de stoelen en tafels en over de handen die op die tafel trillend een bierglas omklemden.
Vermassen keek naar zijn handen, zijn vingers, de zwarte nagelriemen. Sombere, onzuivere handen.
Handen die toch ooit liefhadden en streelden.
Ze waren koud en hard geworden. Niet door het werken maar door niet te werken.
Hij wilde wel, maar zijn rug niet. Een rug van vierendertig en al versleten.
Vermassen kneep in zijn glas om het trillen te stoppen.
De wrange smaak van de te vroege pint mengde zich met het zure gevoel van machteloosheid.
Hij haatte zijn leven, wie hij was geworden.
In zijn hoofd zong hij “Ne me quitte pas”, zijn lijflied. Dat deed hij altijd als hij zich radeloos voelde. Het maakte hem rustig.
Vroeger leek hij op Brel. Vroeger zong hij Brel, voor zijn Marieke…
Marieke Van Daele, hij werd op slag verliefd op haar. Ze stond in de keuken van het metaalbedrijf waar hij werkte. Iedere middag zong hij voor haar. Brel of Louis Neefs : “Ach Marieke de rozen zullen bloeien..”.
De dames van de mess smolten voor zijn charmes, maar hij wilde Marieke en uiteindelijk zei ze “ja”.
Ze gingen twee maanden samen uit en besloten te trouwen. Na negen maanden werd hun eerste kind geboren. In twee jaar kregen ze twee kinderen.
Marieke, of “Mie” zoals hij haar nu noemt, bleef thuis om voor de kleintjes te zorgen. Dat was wat hij wilde. Hij schakelde over naar het vierploegenstelsel om meer te verdienen en de dagen dat hij dan “thuis” was, ging hij zwartwerken bij een tuinaanlegbedrijf. Hij spitte er zijn rug kapot.
Maandenlang ziekteverlof...
De metaalfabriek stuurde eerst een controleur en later een briefje. Ludo Vermassen, Schoonstraat 4, U bent ontslagen.
“Laisse-moi devenir, l’ombre de ton ombre, l’ombre de ton chien, l’ombre de ta main, mais ne me quitte pas...”

Die middag startte Mie de diesel. De kinderen zaten bovenop hun dekbedden op de achterbank en de koffer zat overvol.
Die van de Schoonstraat hadden gezien hoe ze haastig vertrok. 
Vermassen kwam later weer bezopen thuis en vloekte, zoals altijd maar dit keer nog iets harder.
Sinds die dag trekt hij dagelijks te voet naar zijn stamcafé.
Van Marieke en de kinderen werd in de buurt geen spoor meer gezien.
De Antwerpse, Louiza, had wel gehoord dat ze eerst een tijd bij haar moeder was ingetrokken en later bij de zoon van de buschauffeur die ooit nog getrouwd was met die Limburgse die nu aan het eind van de straat woont in nummer 41. ‘Ge weet wel, die afgedankte ballerina…, Herlinde Obermeyer.’


maandag 14 mei 2012

Mietje...!


De druk is niet te harden.
Druk in mijn achterste kies aan de linker bovenkant, waardoor ik nu al twee weekendlijke nachten opzit en nutteloos in het donker zit te staren, terwijl ik de cadans van mijn hartslag kan volgen in dat hoekje van mijn mond, tot in mijn oor en tot in mijn oog...!
Zo’n moment vraagt om morfine of minstens een derivaat ervan.
De dosissen paracetamol en ibuprofen die mijn maag doen verkrampen, doen verder helemaal niets. Ik kan net zo goed wat zure gommen eten.

Normaal zijn mijn blanco nachten heel vruchtbaar.
Maar vooraleer u zich bij dat vruchtbare iets heel beeldend of gymnastisch voorstelt…: ik heb het puur over het mentale.
Om te schrijven moet je denken en de meeste van mijn schrijfsels gebeuren ’s nachts.
Dan word ik wakker en dringt er zich een zin aan mij op, die ik moét opschrijven omdat ik die op klaarlichte dag nooit zou kunnen verzinnen.
Daarna komt de rust en kan ik een klein gat in de morgen slapen.
Als ik bij het krieken van de dag mijn ogen uitwrijf en de dansende lettertekens weer tot woorden maak (ik noteer mijn invallen in het donker…) gebeurt het dat ik verwonderd ben over de samenhang van die, letterlijk, zwevende zinnen.

Wie mijn hoofd, of mijn denken, overneemt tijdens de nachtelijke uren, die zou ik het liefst ook overdag af en toe een blad papier toestoppen, maar helaas.
Overdag neem ík het over en bij gebrek aan inspiratie, of vocabulaire, verval ik
regelmatig in clichés, hoewel ik daar een gloeiendhete hekel aan heb.
In mijn wakkere hoofd schuilen geen neologismen. Daar noem ik pijn moordend, de nacht donker, de zonsopgang...? 'Zonsopgang'.

Zo komt het dat ik vannacht in die onnatuurlijke staat van helder bewustzijn, en nadat ik zeker een uur lang naast de slapende hond zielig had zitten te wezen, van pure ellende geen zinnig woord op het papier vóór mij kon schrijven en dan maar de kloppende pijn probeerde weg te dringen door mij te concentreren op het boodschappenlijstje voor deze morgen.
Het telefoonnummer van de tandarts zocht ik ook nog even op.
Die staat tussen de bloemkool en het varkenshaasje, of iets wat daar op lijkt.
Zelfs wakker is mijn schrift-zonder-licht nog hanenpotiger dan wanneer ik half slapend mijn ingevingen noteer. Of hoe bedroevend kan de toestand van een mens zijn als de wanhoop regeert…

Met de opgaande zon, en het licht in mijn ogen, verzachtte de pijn, maar mocht ik een man zijn, dan was ik nu een mietje, want ondertussen liggen de bloemkool en het haasje al in de koelkast, maar de tandarts is nog niet gebeld.
Ik geef het toe. Hij is niet mijn vriend, hoewel zéér vriendelijk. Maar ik heb schrik, dus stel ik het maar uit.

Ik bel hem straks wel, als de honger te groot wordt, en ik eindelijk besef dat leven zonder eten geen optie is. Of toch niet een heel leven...
Tot die tijd hou ik me bezig met boodschappen plannen. Van al het lekkers dat ik straks weer achter mijn kiezen steek. 
Tenminste... als die kies het overleeft...