zaterdag 17 mei 2014

Mijn Moeske...

Ik word verteerd...
Het gemis knaagt aan mij. 

Mijn geest. 
Mijn voelen. Mijn zijn...

Met de dag
-ochtend, middag, avond, en vooral nacht-  
slaat de onrust toe.

Je bent niet meer,
En ik kan niet meer bij je zijn...

Er is nog zoveel dat ik wil, met jou, mijn Moeske, mijn 'moeder'.
(Zelfs het woord verklaart de inhoud niet. Zoveel meer was jij...)

De dagen verlopen.
Ik vul ze.
Maar de leegte weegt. Telkens weer. 
In moedeloosheid. 
In mokerslagen.
Want je bent niet meer, en dat te moeten dragen, verlamt. 


Kun je me zien?

Weet je hoe ik huil vanbinnen?
En ook echt...?

Zie je hoe ik bloemen zet bij de urne die je 'omarmt'?

Hoor je hoe ik jouw naam noem, met zoveel fierheid..., maar ook verdriet?

En luister je naar de verhalen die jouw ziel dragen, van herinnering tot levensecht..?

De tijd zou moeten helen. 
Zegt men.
Die tijd drijft ons uiteen. 
Zeg ik...

Ik hoor nog wel jouw stem. 
Zou jouw geur herkennen. Nog steeds...

Maar mijn verstand weet dat herinneringen 'vluchtig' zijn - of wat je er van maakt - en dat niets dan nog is wat het is geweest... 

Dus je zult gaan.
Echt gaan.
Tot een beeld dat niet jouw gelijke is.
Of toch niet helemaal...
Maar mooier, omdat je al zo mooi was.

En de pijn zal duren,
omdat je altijd al onmisbaar was en altijd zult zijn...
tot mijn 'eeuwigheid'
en verder

tot over alle tijd...














woensdag 29 januari 2014

Geen troost. Nog niet...

Ik was vergeten hoe het voelde.
Hoe je leeg en lamgeslagen naast het dode lichaam staat.
Nog lauwwarm..
Nu al gedoofd..
En hoe het krijst en pijnt vanbinnen.
Hoe je ogen branden, je hoofd wanhoopt en je lijf machteloos giert..

Ik wist niet meer hoe het moest..
Verdoofd de dag ingaan met het besef dat niets nog is hoe het was.
Dat de straat, en mijn pas, nooit meer dezelfde zullen zijn..
En dat de uren zo kunnen wegen, in leegte, in niets..
Ook dat was ik vergeten.

En armloos ben ik nu.
Ik kan je niet strelen. Niet over jouw witte haren strijken.
Ik kan jouw hand niet in de mijne nemen.
Ik mag je niet meer dragen..
En ik blijf verstomd achter met duizenden woorden, ongezegd…, zoals jij nog zoveel liefde op jouw mond droeg, en in jouw stille hart, toen je ging..

Ik ben wezenloos.
En wees..
Moederloos.., en zo moedeloos.
Want hoe maak je herinneringen die écht zijn..?
Echter dan jouw stem die tederheid sprak..
Warmer dan de kus die op jouw getuite lippen lag.., elke ochtend, soms middag, en elke avond weer.
Hoe vind ik licht dat lichter is dan de glimlach in jouw speelse ogen…?

‘Geheugen, hou vast’, zo dikwijls gedacht, en zo intens beleefd.
Maar het gemis slaat hard.
Met mokerslagen wordt mijn geest verlamd en tiert..

Geen troost.
Nu nog niet…
Je was te mooi om nu al herinnering te zijn..








woensdag 16 oktober 2013

De rust van gesnurk...

Eén weekje regen, en ik kan me de loomte van de warme zomerdag nog nauwelijks herinneren.
De tuin, toen vol van kleur en levendig, verkleurt in bruin onder drukkende grijzigheid van jonge herfstwolken.
Het parfum is nog wel te pruimen.
Ik hou wel van een dorre-fruitboombladeren-lucht.
Stilaan wordt die tuin kaal.
Niet alleen door de wind die de takken van de occasionele struik of boompje stroopt. In najaarsdagen doen ook mijn snoeischaar en ik overuren.
Ik kan het niet hebben dat verpieterde planten slapjes hangen in plaats van te staan. En dat ze, vol gaten, en hoe nog meer gehavend, staan te verkommeren.
Dan maar de korte pijn, en ik knip. Ik snoei heelder planten tot de voet weg.
Zo leeg ik de borders, met af en toe een kleine paniekaanval, want soms lijkt het alsof wat weg is nooit meer zal terugkomen.
Ieder jaar laat ik me daaraan vangen.
Tot diep in het voorjaar zelfs, wanneer enkele schamele narcissen en een hyacint of twee wat zielig staan te wezen in die grote border en er verder nog niet veel te bespeuren valt. Ook dan bekruipt mij het gevoel ‘Dit komt nooit meer goed…’, ‘Ik moet gauw wat planten kopen…’
Gelukkig is tijd vinden hier een probleem en blijkt, binnen de kortste tijd, het jonge groen zich toch een weg naar boven te priemen en krijgen de struiken en bomen hun nieuwe blad én bloemen...
Telkens weer gebeurt dat, zonder dat ik er iets voor hoef te doen en dat verwondert mij.
Het verwondert mij zodanig dat ik elke nieuwe lente weer vergeet te geloven dat het toch zal gebeuren.
Maar laat de tijd nu maar de tuin ontkleuren en wassen.
In dagen als deze, hierzo, in mijn hoekje achter het bureau met zicht op de regen, slurp ik warme oploskoffie.
Of ik die lekker vind, is weer een andere zaak, maar het warmt het lijf en de leden en dat volstaat.
De avonden worden lang en ademen huiselijke gezelligheid.
In herfsten en winters domineert hier de rust.
De hond slijt zijn dagen op de sofa en slaapt snurkend zijn buikje rond.
‘Wintervet’ zal het straks heten.
Je krijgt hem nu met geen stokken de deur uit. Hooguit strompelt hij naar de achterdeur, kijkt naar buiten, ziet nattigheid en gaat weer liggen op het warme plekje dat hij zonet verliet. Een zucht nog, wat gesmak, en het eentonige snurken herbegint…
Wat geldt voor de hond, geldt bijna voor iedereen hier in huis in uren van donkerte.
Niemand die nog de deur uit wil.
Ieder heeft zijn plek in het salon, gaat achterover leunen en beweegt nog nauwelijks.
En ja, af en toe klinkt er gesnurk van iemand die het niet meer houdt van behaaglijkheid en in slaap dommelt.
Maar de hond moet geleegd. Willen of niet.
Zo worden de stille avonden toch nog onderbroken door een hond die niet aan de lijn wil, en een baasje dat echt niet de nacht en de kou in wil en jammerend de jas aantrekt, de schouders opgetrokken, de kraag omhoog… Nog een verveelde zucht en hij verdwijnt, voor minstens een half uur.
Dan is het thuiskomen voor hem op een koor van ‘Hou de deur dicht! Het wordt hier koud!’, en dan begint de routine van voor af aan.
De hond zijn plek.
De baas zijn plek.
En ieder zijn zucht, smak en snurk…

Zo kweekt elkeen zijn wintervet.

maandag 3 juni 2013

Wat een moeder lijden kan...

Mocht iemand mij vragen waar ik het meeste een hekel aan heb dan zou ik geen moment twijfelen en ‘poetsen’ zeggen.
Ik stel het dan ook zo lang mogelijk uit.
Niet dat er hier Vijf-tv toestanden zijn, zoals in hun befaamde programma’s over mensen die leven tussen bergen afval en vuil. Er wordt wel degelijk gekuist.
Maar om nu te zeggen dat het hier ‘Spic & Span’ ligt… Verre van.

Gisteren zaten we te niksen in de eerste junizon, toen me plots het gevoel bekroop dat dit geen goede, noch vruchtbare, zaak was.
Ik kon mijn tijd misschien nuttiger besteden.
Er was de badkamer. En die lag niet al te proper. En dat knaagde.
Er was al eens met een stofzuiger doorheen gegaan, maar niet overal…
De slaapkamers van de kinderen heb ik al opgegeven. Al jaren weiger ik die te poetsen en het is eraan te zien.
Nooit gedacht dat een stapel zo hoog kon worden…
Qua kleren valt het goed mee. Daar dient een kast voor en daar wordt ze ook voor gebruikt.
De rest van de kasten en rekken puilen uit van de mappen, boeken en ander materiaal, dus wordt er duchtig gestapeld. 
Op de kasten, onder de kasten, onder het bed, op de vensterbank, de vloer...
Ik kan het niet meer aanzien en trek telkens de deuren dicht als ik weer eens op dat ‘schoon verdiep’ kom.
Zelfs de ouderlijke slaapkamer kreunt onder de spullen van, vooral, dochterlief.
Mijn man en ik beleven ‘de romantiek’ tussen plastieken zakken met pluchen beesten, prinsessenpakjes, maskers, paaseieren en een verdwaalde kerstbal die nog zijn plek moet terugvinden.
Mocht u het zich afvragen: de dochter staat in het kleuteronderwijs, zonder eigen klas, en met een dramatisch kleine slaapkamer. 
Vandaar de overlast van thematisch materiaal.

De badkamer blijft –gelukkig- kleutermateriaalvrij.
Hooguit vind ik er, in tijden van carnaval, wat confettibolletjes, maar meer echt niet.
De badkamer is badkamer gebleven en voelt zowaar ‘leeg’.
Zo leeg zelfs dat de gedachte mij gisteren overviel (toen ik eindelijk toegaf aan mijn schuldgevoel en aan de schoonmaak begon) dat het eigenlijk wel verwonderlijk was dat ons huis nog niet omgekiept was richting buren van nummer 21, ofte, de kant waar de overvolle kamer van de dochter kreunt onder het gewicht van drie jaren opleiding kleuteronderwijs- en drie jaren effectief kleuteronderwijs-met-wekelijks-wisselende-thema’s-met-bijbehorende-attributen.
Hoe houdt zo’n verdiep met plankenvloer het vol…?!
Mocht de aarde hier ooit beven dan wordt dit voor ons een regelrechte ramp.
Begin maar eens alle doormekaargeschudde thema’s weer te sorteren…
Stel je voor dat al die stapels omkiepen en de houten parels en strijkkralen je tegemoetkomen op de gang en de trap...

Ik zei het gisteren nog, toen de badkamer alweer lag te blinken dankzij een Propere Heer en wat anti-kalkspray: ‘Misschien moet je overwegen om ergens een droge garagebox te huren…?’ Zo bracht ik het zachtjes aan bij mijn enthousiaste kleuterjuf.
Het zou wel fijn zijn om nog eens de muren van mijn huis terug te zien.
Voorlopig heeft ze nog geen zicht op een vaste plek in één of andere school, dus het wordt nog minstens een jaar stouwen…
Maar té is té.
Nog goed dat hier niemand de voordeur gebruikt want ook in de hal is het vaak klimmen over manden vol muziekinstrumenten, al dan niet zelfgemaakt, en zakken met nog te sorteren spullen.
Ik weet van meer dan één juf die een extra garagebox huurt om alle materiaal te stallen.
Er kwam echter geen reactie op mijn voorstel.
Ik weet dat er uitgekeken wordt naar de verhuis van de zoon. Ooit zal zijn huis afgewerkt zijn en dan komt zijn (grote) kamer vrij.
Maar of dat iets zal veranderen aan mijn barstend huis…
Er komt elke week een nieuw thema bij… en een vierkante meter blijft een vierkante meter…
En de dramatisch kleine kamer (van de dochter) die dan vrijkomt, wacht op een invasie van een Playstation 3-fan onder de gedaante van het hoofd van dit gezin…
Dus daar zit ook al geen optie tot extra opslagruimte in…

Ik weet het niet meer.
Ik weet alleen dat mijn badkamer blinkt en dat daar een zee van ruimte is.
De badkamer is nochtans de tweede kleinste kamer van dit huis.
De kleinste is, inderdaad, ‘de vrolijke vierkante meter’, met name ‘de wc’.
Wat me deed bedenken, in mijn vlaag van kuiswoede, dat het hier wel erg gesteld is…
Dat ze zich bij het Ministerie van Onderwijs daar niet bewust van zijn, en dan maar wat vergaderen over de hervorming van het Secundair, stelt me teleur.
Ze moesten maar eens komen kijken hoe een beginnende leerkracht, én de medebewoners van datzelfde huis, worstelen met de stapels educatief materiaal…
Dat verdient minstens een premie, én misschien een maandelijkse poetshulp…?
Dat lijkt me niet teveel gevraagd. Of is de Propere Heer me naar het hoofd gestegen...?

Ps. Ook de zoon staat in het onderwijs. Basisonderwijs. Met, gelukkig, minder knutselspullen, maar toch nog een kamer vol mappen en documentatie.

Help!!!
Ik ben een moeder en ik lijd…








donderdag 2 mei 2013

Im wunderschönen Monat Mai…


Dacht ik al meer dan drie jaar dat Schumann’s Dichterlieder enkel voor die dames bestemd waren die gezegend zijn met een stem, die als het moet, tot een hoge fa of sol reikt…
(O, ontgoocheling, die mij al zo vaak het zwijgen oplegde omdat ‘meegalmen’ hier geen optie is…)
Vind ik, in mijn zoektocht naar nostalgie en herbeleving van een memorabele uitzending van Vrije Geluiden, Barbara Sukowa terug…
Ik herinner mij hoe ik destijds gebiologeerd naar het beeld zat te staren en hoe met haar zang de tranen op mijn schoot belandden…

‘ Ich hab' im Traum geweinet,
Mir träumte, du lägest im Grab.
Ich wachte auf, und die Träne
Floß noch von der Wange herab.

Ich hab' im Traum geweinet,
Mir träumt', du verließest mich.
Ich wachte auf, und ich weinte
Noch lange bitterlich.


Een tekstje van niets zou je zeggen…
Even cliché als hoe ik het net braafjes omschreef van die tranen op mijn schoot.
Maar hoe ze zich in die woorden gooit met heel haar stem en lijf…

Ontdek ik achteraf dat Barbara Sukowa geen klassieke zangeres is, maar een Duitse actrice. Dat verklaart veel.
Waar haar stem tekortkomt, neemt de inleving en performance het over.
‘Hütchen ab!’

Vind ik, in mijn verdere zoektocht naar uitvoeringen van ‘Ich hab’ im Traum geweinet’, een versie van Richard Tauber…
Een tenor begot!, maar van het ingetogen kaliber. Tenminste in dit lied.
Geen bewegend beeld. Enkel een foto, het lied, de zang, de klank van een sobere piano…
Opname uit 1935…, maar o zo mooi in al zijn eenvoud.
Na een paar luisteringen, waag ik mij aan wat meezang…
Kijken of ik me nog altijd ‘tenor(es)’ mag noemen, zoals ik mezelf vroeger omschreef toen ik bij het koor als ‘vreemd gevogelte’ tussen een partij mannen stond…
Op het koorzangtoernooi van Oost-Vlaanderen haalden we met ons drieëntwintigkoppig koortje wel mooi ‘Uitmuntendheid’.
Daarna hield ik het ‘voor gezien’, want qua sociale contacten bleef ik de bizarre eend.
De vrouwen troepten samen zoals kinderen dat op een speelplaats doen. In een gesloten kring. Geen doordringen aan.
En de mannen haalden een pint en keuvelden over het voetbal…
Ik dobberde daar wat tussenin, zonder er echt bij te horen.
Die pauzes waren voor mij een ongemakkelijk en onnoodzakelijk kwaad en deden mij beslissen ermee op te houden.

Na een tijd afwezigheid hoorde ik van een alt dat ik toch gemist werd.
Ik trok mijn wenkbrauwen in een vragende en vertwijfelde frons…
Ik had daar nooit een verhaal opgehangen dat enigszins indruk zou kunnen hebben gemaakt of dat zou doen wensen naar mijn wekelijkse entertainende aanwezigheid…
Wellicht kende niemand daar de klank van mijn stem want er was nooit de gelegenheid geweest om ook maar enige inbreng te hebben in hun conversaties.
Ik stond altijd buiten hun cirkel en niemand die vroeg om erbij te komen.
Mijn pogingen tot toenadering werden genegeerd en zoals ik het toen aanvoelde, werd de kring dan nog wat meer aangetrokken zodat ik er zeker niet bij kon.
Zij moet mijn verwondering gelezen hebben, die alt, want ze zei onmiddellijk: ‘Het valt op dat je niet meer bij de tenoren staat.’
En ik dacht al even onmiddellijk: ‘Dat zal wel ja… Geen vrouw meer tussen de mannen…’
Maar zij ging nog verder: ‘Je hoort zo goed het verschil nu jij er niet meer als tenor tussenstaat. Ze geven bijna geen klank meer!’.
Ik kan vermoeden dat ik toen mijn wenkbrauwen bijna tot aan mijn haarlijn optrok…
Ik vermoed dat er duizend vraagtekens in mijn ogen te lezen stonden.
Ik weet dat mijn hoofd suisde van verwondering.
Huch?!
‘Wel ja, jij klinkt meer ‘tenor’ dan die vijf mannen samen!’, zei ze nog, en of ik geen zin had om weer naar de repetities te komen…
Neen dus. Geen tweede poging.
Nooit meer dat schaapachtig glimlachen tussen de twee vriendencirkels in.
Een tijd later vroeg ze het mij nog een keer en weer heb ik bedankt.
Niets of niemand kan mij nog verleiden om mijn ‘solocarrière’ vaarwel te zeggen om weer in de massa onzichtbaar te worden.

Die solocarrière beperkt zich tot wat pogingen tot liedinterpretatie in een kamer zonder publiek.
Het repertoire gaat van jazz, over pop, tot één enkele keer klassiek.
Daar verlies ik me op een podium dat er geen is en haal met gemak de hoogste noot een tenores waardig:

Ich hab' im Traum geweinet,
Mir träumte, du wär'st mir noch gut.
Ich wachte auf, und noch immer
Strömt meine Tränenflut.’


Als ik zing, voel ik de tranen niet…






dinsdag 23 april 2013

Had ik laatst een reünie...


‘Had ik laatst een reünie.’, zou een Hollander beginnen.
‘Kwamen we daar aan, wat onwennig…
Tja, het was ook bijna veertig jaar geleden dat ik die mensen nog had gezien (Kun je nagaan!)’
‘Nou, in het begin liep het nog een beetje stroef. Ik stond bij de deur. Werd ik meteen aangegaapt door wel twintig koppen die tegelijk dezelfde kant uitkeken… Mijn kant dan en ik dacht: ‘O.., het wordt zo’n avondje’.'
‘Stond er een dame bij de deur. Ik herkende ze gelijk!’
‘Anja?’, vroeg ik.
‘Jawel’, zei ze.
‘Hoe gaat het nu met je?’, deed ik nog een poging.
‘Goed.’, zei ze.
En dat was dat.
Verder herkende ik Suzanne, en Martine, en ook Johan, Geert en Hans. En natuurlijk Daniël met zijn bloedbroeder Luc…
De rest had ik nog nooit van mijn leven gezien.
Of toch wel.
Maar ik kon er geeneen herkennen of bij naam noemen.
‘Raar feestje…’, dacht ik, en verder ‘Ik hoop dat we lekker te eten krijgen voor de vijftig euro die ik hiervoor betaalde…!’ (Er zit nog een achtste Nederlands bloed in mijn lijf…)

Het was een staande receptie, zoals dat dan zo mooi heet.
Je ziet een verhoogde tafel met een bakje chips en nog een bakje nootjes, en gaat alvast een plek innemen om niet zomaar, middenin de zaal, wezenloos te staan kijken.
‘Bizar.’, zeg ik tegen mijn man, ‘Zoveel van deze mensen liepen door de straten van mijn kindertijd. Ik moet ze gezien hebben, maar ik herken er zo weinig!’
Zegt hij, mijn man: ‘Da’s niks voor mij, heel dit gedoe. Gaan we lang blijven?’
Ik ontwijk diplomatisch zijn vraag door te wijzen op het koppel dat net aankomt.
‘Die herken ik!’, zeg ik met gefaket enthousiasme.
‘Dat is… Hoe heet die ook weer…?’
En ik zie hoe mijn man ongeïnteresseerd de andere kant op kijkt…
Ik doe zelfs geen moeite om me haar naam te herinneren, terwijl die spontaan in mij opkomt.
‘Caroline!’, doe ik nog een poging, maar het kan hem geen moer schelen.
Mij eigenlijk ook niet.

‘Begint er plots een onbekende vrouw met mij te praten.’, zou een Hollander, en ook een Belg zeggen.
Dat had ze beter niet gedaan…
Ze begon te vertellen over haar werk. Ergens in een school waar ze de maaltijden van tweehonderd kinderen serveerde en ook voor ‘de opvang’ zorgde én ook  instond voor de EHBO…
‘Nou, goed hoor’, zou diezelfde Hollander denken of zeggen, maar ik, én mijn man, (als Belgen) dachten na ruim een half uur: ‘Mens, hou toch op! Het interesseert ons geen bal welke ouders hun kind om zeven uur droppen op school, of hoelang het duurt voor de afwas klaar is, of welke wonden ze ooit heeft verzorgd…’
Na een tijdje vraag ik haar of ik haar ken.
‘Neen, ik denk het niet.’, zegt ze kordaat. ‘Ik ben de vrouw van..’, zegt ze daarna.
‘Van wie dan?’, vraag ik haar.
‘Van Koen’, zegt ze.
‘Koen wie?’, vraag ik.
‘Koen Geraerts’.
‘Ken ik niet’, weet ik zeker.
‘Je moet hem kennen!’, dringt ze aan.
‘Toch niet.’, zeg ik na een seconde of vijf nadenken.
‘Geraerts. Van de Slijkstraat.’
‘Zegt me niets.’, probeer ik nog.
‘Nummer 15.’, probeert zij nog.
‘Geen idee.’, ga ik door.
‘Dat huis met die rood geverfde ramen.’…
‘Ik woon hier al zesendertig jaar niet meer!’, zeg ik.
‘Met die voortuin waar die grote dennenboom in staat, en die rododendron met paarse bloemen!’
‘Ik woon hier al zesendertig jaar niet meer!’, sis ik nu ondertussen….
‘Je moet hem kennen!’
En ja hoor. Daar word ik dus pis-pis-PISnijdig van!!!!
Wie zegt dat ik iemand moet kennen???
Ik ken iemand.Of ik ken die niet.
Punt.

Gelukkig.
Gelukkig kwam de boodschap van ergens achterin de zaal dat de walking dinner klaar was om gewalked te worden.
Snel de andere kant uit. 
Bordje nemen. Bestekje nemen. Braafjes wachten in de rij….
Bordje vol.
Buikje vol.

‘Willen de leerlingen van de zesde klas verzamelen voor een groepsfoto?’
Hop. Naar voren.
Op de knieën zoals weleer.
Dezelfde plek als op de foto van toen…
Met vier, zijn we.
Op de foto van vroeger waren we met veertien….
Triestige foto..?
Niet als we lachen! En dat doen we.

We slaan nog een praatje achteraf. Na de foto. Met z'n vieren.
Niets dan een opsomming van kwalen en miserie…
De ene dit. De andere dat.
Gelukkig.
Gelukkig niet langer dan vijf minuten.

Mijn man vraagt of we nog lang blijven.
De mensen aan onze tafel zijn uitgepraat.
‘Het werd een beetje saai…’, zou de Hollander zeggen. Of: ‘Oervervelend man!’
Ik deed nog een poging om de tafelgenoten aan de praat te krijgen, maar niets hielp.
Moeilijk als je niet echt iemand kent.
Toen waren we elf of twaalf. Nu vijftigers…
Een hemelsbreed verschil en een heel leven ertussen dat niet op enkele uren te overbruggen valt…

‘En…, wil je nog blijven?’, herhaalt mijn man, ‘of gaan we naar huis?’

Nog vóór de muziek begint, en we –eventueel- zouden kunnen dansen, hoor ik mezelf zeggen: ‘Ok. We gaan.’

Ik ga nog een paar handen schudden.
Handen van mensen die op meer dan de helft van hun leven staan.
Ik ook.
Maar ik prijs mezelf gelukkig.

Gelukkig, want ik leef nog (drie leeftijdsgenoten waren overleden…) en ik moest geen chemo doorstaan.  (twee mensen die ik daar ontmoette ondergingen chemo…)
Ik ben nog steeds gelukkig getrouwd, nu al bijna 28 jaar, (vier van de vijf mensen waar ik mee praatte waren gescheiden…) en heb twee gezonde kinderen (twee van de vier mensen waarmee ik praatte hadden een kinderwens maar bleven kinderloos, of verloren een kind…) die ik zonder problemen heb opgevoed (ik kreeg een heel verslag van de dame die de ‘opvang’ verzorgde over probleemkinderen én van oud-klasgenoten die het één en ander hadden meegemaakt met hun pubers…)

Nog vóór de muziek begon, zaten we in de auto. Klaar om naar huis te vertrekken.

‘Het eten was lekker’, zeiden we tegen elkaar, mijn man en ik.
‘Ik vind het een raar gegeven, zo’n reünie.’, zei mijn man nog.
‘Vertrek maar.’, zei ik, ‘Als we dan toch niet dansen, wil ik bij de kinderen zijn…’

Het was rond tien uur dat we thuis kwamen.
Vroeg.
Heel vroeg naar de normen van zoon- en dochterlief…

‘We hadden het wel gezien’, dachten, of zeiden we –min of meer- in koor.
‘Ik had wel graag gedanst.’, bleef nog ergens in mijn hoofd hangen. Maar niet lang.

De dagen erna herleefde ik herinneringen die lang vergeten leken, maar die met dit ‘terugzien’ heel erg levendig werden…
Vooral zij die niet meer waren, zag ik duidelijk voor mijn geest.
Hoe ze waren, en deden…
Voor hen is deze reünie niet ‘um sonst’ geweest.

'Het was überhaupt een korte, maar krachtige ervaring!', zou de Nederlander roepen.
Ik zeg het ook.




vrijdag 19 april 2013

Zoals Brel het beschreef...


De tijd slaat me met hardheid om de oren.
Ik zie het vergaan van glans en schittering, en van levendigheid in de ogen van mijn moeder.
De zang woont niet meer in haar hoofd. Het lied is verstomd.
Er is klaagzang, en nog zelden een ode.

Haar passen zijn vertraagd. Ze sluipen. 
En wankelen...
Ze sleept zich door de kamer. De drie kamers die nu haar wereld zijn.
Ik ging met haar naar buiten. Op wielen ging zij met mij mee.
Ik duwde haar de straat door, zoals zij mij vroeger duwde.
Omgekeerde, wrede tijd.

‘Waarom moet een mens zo oud worden…’ zei ze. Het was zelfs geen vraag.
Een jaar geleden kroop ze haar geest achterna.
De kop wilde. Het lijf niet meer.
Ze zijn nu in balans.
Moe.
Uitgeput.
En moe.
En uitgeput.

Ik zoek nog het licht in haar ogen. Zoals ze vroeger naar me keek.
De rug recht. De zwevende pas. De mondhoeken omhoog. Glimlach. Fier…

Ik zeg haar dat haar trui gewassen moet. Er zitten vlekken op.
Ze blaast de opmerking weg en mompelt ‘ja ja…’, waarmee ze ‘neen, hoeft niet’ wil zeggen.
Ze verandert nog nauwelijks van kleren. Wat goed zit wordt versleten tot op de draad.
Vroeger droeg ze kleedjes, zelfs één met struisvogeldons, en kleurde ze haar mond met roze lippenstift…
Ze droeg hoge hakken waarmee ze de straat door snelde. En wij, mijn zus en ik, gingen in looppas om haar bij te houden…
Ik haat de donkere pantoffels met velcro aan haar voeten die, zo zwart op de witte vloer, bewijzen dat zij nu een klein wankel, en oud vrouwtje is.

Ik had vroeger tranen bij het lied van Brel over ‘zijn oudjes’.
Ik kon me niet voorstellen hoe het moest zijn om je ouders in de winter van hun leven te zien, vóór de koude hun ziel zou bevriezen, maar hij kon het zo verdomd goed verwoorden:
‘Les vieux ne bougent plus, leurs gestes ont trop de rides, leur monde est trop petit.
Du lit à la fenêtre. Puis du lit au fauteuil. Et puis du lit au lit…’

Van de zetel naar het bed. En van het bed naar de zetel… 
Zo gaat mijn moeder op zwarte sloffen, achter het looprekje de dag door en de nacht in.
En slapeloos huilt ze, en hoopt ze dat ze straks niet meer wakker wordt…

Vous la verrez parfois en pluie et en chagrin, traverser le présent
en s´excusant déjà de n´être pas plus loin…
Et fuir devant vous une dernière fois la pendule d´argent,
Qui ronronne au salon.
Qui dit ‘oui’, qui dit ‘non’,
qui dit : je t´attends…’

Er hangt een tikkende klok in de woonkamer van mijn moeder.
De tijd slingert er genadeloos voorbij langsheen de muur.
Ze loopt, constant, een kwartier voor.

Zij kruipt de tijd achterna...