Nu de tijd grijst, moeten zij herdacht worden.
Het oorlogsmonument op de markt, met de rijzige soldaat, inspireerde en bracht mij deze woorden:
Voor de gestorven soldaat
Ik had je graag gekend…
Niet alleen jouw naam gelezen, maar hem genoemd…
Dan had ik geweten welke woorden je oversloeg
voor je sprakeloos en koud tot beeld verging.
Want wie nu vertelt het verhaal van de held…,
van zijn angst,
zijn afgelegde tederheid,
de zere huid van zijn handen,
zijn weerloze hart dat barst,
en breekt…
Wie kijkt in zijn ogen en ziet de waanzin,
de doodsangst die stolt, en smelt
tot wrede,
vredige stilte…
Ik wil je roemen in uitgesproken verzen,
jouw blik vertalen en in een laatste gesprek
jouw strijd verhalen
met opgegraven woorden,
van vóór de oorlog jouw stem begroef…
Dat elke herdenking mensen mag raken, en doen bezinnen over de waanzin van oorlog en onrecht, overal in deze wereld en hen mag bewegen tot verdraagzaamheid.
maandag 6 oktober 2014
donderdag 25 september 2014
Voor haar...
Ik zou ontzenuwd moeten.
Lijf en geest ontpijnd.
Want hoe dikwijls al heb ik mijn hoofd gesmoord in rook en wijn, en een vals lied, om niet te moeten voelen en om met slapen mijn denken te sussen..?
En telkens zag ik de leegte van de nacht in schaduwen, met reflecties op de kast, mijn kijk belemmerd door donker en wazig grijs, en links de duidelijkheid van oplichtende cijfers die genadeloos de tijd er door drammen..
Je wordt ouder.
En ouder.
Straks dag.
Geen slaap.
Nog wakker.
En nog wakker.
En nog niet geslapen.
Straks moet je weer op.
Gooi je benen uit bed en slaap!
Ik tel geen schapen maar doden.
Gisteren vierentwintig, maar er zijn er meer.
Familie, vrienden, kennissen. Allemaal geliefd.
Ik zag ze met mijn ogen dicht want met je ogen dicht, kun je zien in het donker.
Ik hield hen vast in mijn hoofd. Keek naar hen hoe ze liepen en lachten en spraken tegen mij, of misschien tegen een ander.
Ik hield de klank van hun stem vast. Van sommigen.
Van anderen herinner ik mij hun taal niet meer.
Ik zag ze bij mij thuis, of hoe ze waren in hun huis, of in de straat, of aan tafel... een feest of zo.
En ik zag hoe zij, mijn Moeske, op haar rechterzij in haar bed lag. Zoals altijd, met haar rug naar mij toe, en hoe ze zachtjes haar hoofd wat oprichtte, de nek naar links geplooid om mij te kunnen zien, en hoe ze glimlachte en gerustgesteld zuchtte: 'Ah, ge zijt er.'...
Ik keek lang naar haar. En zij naar mij. En we wiegden elkaar in één lange blik..
Toen ik zo lang naar haar keek, moet het gebeurd zijn.
Dan moet de pijn gestopt zijn.
Want mijn benen hingen uit bed vanmorgen.
Ze liepen daarna de tuin in en vonden een bloem, voor haar...
Lijf en geest ontpijnd.
Want hoe dikwijls al heb ik mijn hoofd gesmoord in rook en wijn, en een vals lied, om niet te moeten voelen en om met slapen mijn denken te sussen..?
En telkens zag ik de leegte van de nacht in schaduwen, met reflecties op de kast, mijn kijk belemmerd door donker en wazig grijs, en links de duidelijkheid van oplichtende cijfers die genadeloos de tijd er door drammen..
Je wordt ouder.
En ouder.
Straks dag.
Geen slaap.
Nog wakker.
En nog wakker.
En nog niet geslapen.
Straks moet je weer op.
Gooi je benen uit bed en slaap!
Ik tel geen schapen maar doden.
Gisteren vierentwintig, maar er zijn er meer.
Familie, vrienden, kennissen. Allemaal geliefd.
Ik zag ze met mijn ogen dicht want met je ogen dicht, kun je zien in het donker.
Ik hield hen vast in mijn hoofd. Keek naar hen hoe ze liepen en lachten en spraken tegen mij, of misschien tegen een ander.
Ik hield de klank van hun stem vast. Van sommigen.
Van anderen herinner ik mij hun taal niet meer.
Ik zag ze bij mij thuis, of hoe ze waren in hun huis, of in de straat, of aan tafel... een feest of zo.
En ik zag hoe zij, mijn Moeske, op haar rechterzij in haar bed lag. Zoals altijd, met haar rug naar mij toe, en hoe ze zachtjes haar hoofd wat oprichtte, de nek naar links geplooid om mij te kunnen zien, en hoe ze glimlachte en gerustgesteld zuchtte: 'Ah, ge zijt er.'...
Ik keek lang naar haar. En zij naar mij. En we wiegden elkaar in één lange blik..
Toen ik zo lang naar haar keek, moet het gebeurd zijn.
Dan moet de pijn gestopt zijn.
Want mijn benen hingen uit bed vanmorgen.
Ze liepen daarna de tuin in en vonden een bloem, voor haar...
zaterdag 17 mei 2014
Mijn Moeske...
Ik word verteerd...
Het gemis knaagt aan mij.
Mijn geest.
Mijn voelen. Mijn zijn...
Met de dag
-ochtend, middag, avond, en vooral nacht-
slaat de onrust toe.
Je bent niet meer,
En ik kan niet meer bij je zijn...
Er is nog zoveel dat ik wil, met jou, mijn Moeske, mijn 'moeder'.
(Zelfs het woord verklaart de inhoud niet. Zoveel meer was jij...)
De dagen verlopen.
Ik vul ze.
Maar de leegte weegt. Telkens weer.
In moedeloosheid.
In mokerslagen.
Want je bent niet meer, en dat te moeten dragen, verlamt.
Kun je me zien?
Weet je hoe ik huil vanbinnen?
En ook echt...?
Zie je hoe ik bloemen zet bij de urne die je 'omarmt'?
Hoor je hoe ik jouw naam noem, met zoveel fierheid..., maar ook verdriet?
En luister je naar de verhalen die jouw ziel dragen, van herinnering tot levensecht..?
De tijd zou moeten helen.
Zegt men.
Die tijd drijft ons uiteen.
Zeg ik...
Ik hoor nog wel jouw stem.
Zou jouw geur herkennen. Nog steeds...
Maar mijn verstand weet dat herinneringen 'vluchtig' zijn - of wat je er van maakt - en dat niets dan nog is wat het is geweest...
Dus je zult gaan.
Echt gaan.
Tot een beeld dat niet jouw gelijke is.
Of toch niet helemaal...
Maar mooier, omdat je al zo mooi was.
En de pijn zal duren,
omdat je altijd al onmisbaar was en altijd zult zijn...
tot mijn 'eeuwigheid'
en verder
tot over alle tijd...
Het gemis knaagt aan mij.
Mijn geest.
Mijn voelen. Mijn zijn...
Met de dag
-ochtend, middag, avond, en vooral nacht-
slaat de onrust toe.
Je bent niet meer,
En ik kan niet meer bij je zijn...
Er is nog zoveel dat ik wil, met jou, mijn Moeske, mijn 'moeder'.
(Zelfs het woord verklaart de inhoud niet. Zoveel meer was jij...)
De dagen verlopen.
Ik vul ze.
Maar de leegte weegt. Telkens weer.
In moedeloosheid.
In mokerslagen.
Want je bent niet meer, en dat te moeten dragen, verlamt.
Kun je me zien?
Weet je hoe ik huil vanbinnen?
En ook echt...?
Zie je hoe ik bloemen zet bij de urne die je 'omarmt'?
Hoor je hoe ik jouw naam noem, met zoveel fierheid..., maar ook verdriet?
En luister je naar de verhalen die jouw ziel dragen, van herinnering tot levensecht..?
De tijd zou moeten helen.
Zegt men.
Die tijd drijft ons uiteen.
Zeg ik...
Ik hoor nog wel jouw stem.
Zou jouw geur herkennen. Nog steeds...
Maar mijn verstand weet dat herinneringen 'vluchtig' zijn - of wat je er van maakt - en dat niets dan nog is wat het is geweest...
Dus je zult gaan.
Echt gaan.
Tot een beeld dat niet jouw gelijke is.
Of toch niet helemaal...
Maar mooier, omdat je al zo mooi was.
En de pijn zal duren,
omdat je altijd al onmisbaar was en altijd zult zijn...
tot mijn 'eeuwigheid'
en verder
tot over alle tijd...
woensdag 29 januari 2014
Geen troost. Nog niet...
Ik was vergeten hoe het voelde.
Hoe je leeg en lamgeslagen naast het dode lichaam staat.
Nog lauwwarm..
Nu al gedoofd..
En hoe het krijst en pijnt vanbinnen.
Hoe je ogen branden, je hoofd wanhoopt en je lijf machteloos giert..
Ik wist niet meer hoe het moest..
Verdoofd de dag ingaan met het besef dat niets nog is hoe het was.
Dat de straat, en mijn pas, nooit meer dezelfde zullen zijn..
En dat de uren zo kunnen wegen, in leegte, in niets..
Ook dat was ik vergeten.
En armloos ben ik nu.
Ik kan je niet strelen. Niet over jouw witte haren strijken.
Ik kan jouw hand niet in de mijne nemen.
Ik mag je niet meer dragen..
En ik blijf verstomd achter met duizenden woorden, ongezegd…, zoals jij
nog zoveel liefde op jouw mond droeg, en in jouw stille hart, toen je ging..
Ik ben wezenloos.
En wees..
Moederloos.., en zo moedeloos.
Want hoe maak je herinneringen die écht zijn..?
Echter dan jouw stem die tederheid sprak..
Warmer dan de kus die op jouw getuite lippen lag.., elke ochtend, soms
middag, en elke avond weer.
Hoe vind ik licht dat lichter is dan de glimlach in jouw speelse ogen…?
‘Geheugen, hou vast’, zo dikwijls gedacht, en zo intens beleefd.
Maar het gemis slaat hard.
Met mokerslagen wordt mijn geest verlamd en tiert..
Geen troost.
Nu nog niet…
Je was te mooi om nu al herinnering te zijn..
woensdag 16 oktober 2013
De rust van gesnurk...
Eén weekje regen, en ik kan me de loomte van de warme zomerdag nog
nauwelijks herinneren.
De tuin, toen vol van kleur en levendig, verkleurt in bruin onder
drukkende grijzigheid van jonge herfstwolken.
Het parfum is nog wel te pruimen.
Ik hou wel van een dorre-fruitboombladeren-lucht.
Stilaan wordt die tuin kaal.
Niet alleen door de wind die de takken van de occasionele struik of boompje stroopt. In
najaarsdagen doen ook mijn snoeischaar en ik overuren.
Ik kan het niet hebben dat verpieterde planten slapjes hangen in plaats van te
staan. En dat ze, vol gaten, en hoe nog meer gehavend, staan te verkommeren.
Dan maar de korte pijn, en ik knip. Ik snoei heelder planten tot de voet weg.
Zo leeg ik de borders, met af en toe een kleine paniekaanval, want soms
lijkt het alsof wat weg is nooit meer zal terugkomen.
Ieder jaar laat ik me daaraan vangen.
Tot diep in het voorjaar zelfs, wanneer enkele schamele narcissen en een
hyacint of twee wat zielig staan te wezen in die grote border en er verder nog
niet veel te bespeuren valt. Ook dan bekruipt mij het gevoel ‘Dit komt nooit
meer goed…’, ‘Ik moet gauw wat planten kopen…’
Gelukkig is tijd vinden hier een probleem en blijkt, binnen de kortste tijd, het jonge groen zich toch een weg naar boven te priemen en krijgen de struiken
en bomen hun nieuwe blad én bloemen...
Telkens weer gebeurt dat, zonder dat ik er iets voor hoef te doen en dat
verwondert mij.
Het verwondert mij zodanig dat ik elke nieuwe lente weer vergeet te geloven dat het toch zal gebeuren.
Maar laat de tijd nu maar de tuin ontkleuren en wassen.
In dagen als deze, hierzo, in mijn hoekje achter het bureau met zicht op
de regen, slurp ik warme oploskoffie.
Of ik die lekker vind, is weer een andere zaak, maar het warmt het lijf
en de leden en dat volstaat.
De avonden worden lang en ademen huiselijke gezelligheid.
In herfsten en winters domineert hier de rust.
De hond slijt zijn dagen op de sofa en slaapt snurkend zijn buikje rond.
‘Wintervet’ zal het straks heten.
Je krijgt hem nu met geen stokken de deur uit. Hooguit strompelt hij
naar de achterdeur, kijkt naar buiten, ziet nattigheid en gaat weer liggen op het
warme plekje dat hij zonet verliet. Een zucht nog, wat gesmak, en het eentonige snurken
herbegint…
Wat geldt voor de hond, geldt bijna voor iedereen hier in huis in uren van donkerte.
Niemand die nog de deur uit wil.
Ieder heeft zijn plek in het salon, gaat achterover leunen en beweegt
nog nauwelijks.
En ja, af en toe klinkt er gesnurk van iemand die het niet meer houdt van
behaaglijkheid en in slaap dommelt.
Maar de hond moet geleegd. Willen of niet.
Zo worden de stille avonden toch nog onderbroken door een hond die niet
aan de lijn wil, en een baasje dat echt niet de nacht en de kou in wil en
jammerend de jas aantrekt, de schouders opgetrokken, de kraag omhoog… Nog een
verveelde zucht en hij verdwijnt, voor minstens een half uur.
Dan is het thuiskomen voor hem op een koor van ‘Hou de deur dicht! Het wordt hier koud!’, en
dan begint de routine van voor af aan.
De hond zijn plek.
De baas zijn plek.
En ieder zijn zucht, smak en snurk…
Zo kweekt elkeen zijn wintervet.
maandag 3 juni 2013
Wat een moeder lijden kan...
Mocht iemand mij vragen waar ik het meeste een hekel aan heb dan zou ik
geen moment twijfelen en ‘poetsen’ zeggen.
Ik stel het dan ook zo lang mogelijk uit.
Niet dat er hier Vijf-tv toestanden zijn, zoals in hun befaamde
programma’s over mensen die leven tussen bergen afval en vuil. Er wordt wel
degelijk gekuist.
Maar om nu te zeggen dat het hier ‘Spic & Span’ ligt… Verre van.
Gisteren zaten we te niksen in de eerste junizon, toen me plots het
gevoel bekroop dat dit geen goede, noch vruchtbare, zaak was.
Ik kon mijn tijd misschien nuttiger besteden.
Er was de badkamer. En die lag niet al te proper. En dat knaagde.
Er was al eens met een stofzuiger doorheen gegaan, maar niet overal…
De slaapkamers van de kinderen heb ik al opgegeven. Al jaren weiger ik
die te poetsen en het is eraan te zien.
Nooit gedacht dat een stapel zo hoog kon worden…
Qua kleren valt het goed mee. Daar dient een kast voor en daar wordt ze
ook voor gebruikt.
De rest van de kasten en rekken puilen uit van de mappen, boeken en ander
materiaal, dus wordt er duchtig gestapeld.
Op de kasten, onder de kasten, onder
het bed, op de vensterbank, de vloer...
Ik kan het niet meer aanzien en trek telkens de deuren dicht als ik weer
eens op dat ‘schoon verdiep’ kom.
Zelfs de ouderlijke slaapkamer kreunt onder de spullen van, vooral, dochterlief.
Mijn man en ik beleven ‘de romantiek’ tussen plastieken zakken met
pluchen beesten, prinsessenpakjes, maskers, paaseieren en een verdwaalde
kerstbal die nog zijn plek moet terugvinden.
Mocht u het zich afvragen: de dochter staat in het kleuteronderwijs,
zonder eigen klas, en met een dramatisch kleine slaapkamer.
Vandaar de overlast
van thematisch materiaal.
De badkamer blijft –gelukkig- kleutermateriaalvrij.
Hooguit vind ik er, in tijden van carnaval, wat confettibolletjes, maar
meer echt niet.
De badkamer is badkamer gebleven en voelt zowaar ‘leeg’.
Zo leeg zelfs dat de gedachte mij gisteren overviel (toen ik eindelijk
toegaf aan mijn schuldgevoel en aan de schoonmaak begon) dat het eigenlijk wel
verwonderlijk was dat ons huis nog niet omgekiept was richting buren van nummer
21, ofte, de kant waar de overvolle kamer van de dochter kreunt onder het
gewicht van drie jaren opleiding kleuteronderwijs- en drie jaren effectief
kleuteronderwijs-met-wekelijks-wisselende-thema’s-met-bijbehorende-attributen.
Hoe houdt zo’n verdiep met plankenvloer het vol…?!
Mocht de aarde hier ooit beven dan wordt dit voor ons een regelrechte
ramp.
Begin maar eens alle doormekaargeschudde thema’s weer te sorteren…
Stel je voor dat al die stapels omkiepen en de houten parels en
strijkkralen je tegemoetkomen op de gang en de trap...
Ik zei het gisteren nog, toen de badkamer alweer lag te blinken dankzij
een Propere Heer en wat anti-kalkspray: ‘Misschien moet je overwegen om ergens
een droge garagebox te huren…?’ Zo bracht ik het zachtjes aan bij mijn
enthousiaste kleuterjuf.
Het zou wel fijn zijn om nog eens de muren van mijn huis terug te zien.
Voorlopig heeft ze nog geen zicht op een vaste plek in één of andere
school, dus het wordt nog minstens een jaar stouwen…
Maar té is té.
Nog goed dat hier niemand de voordeur gebruikt want ook in de hal is het
vaak klimmen over manden vol muziekinstrumenten, al dan niet zelfgemaakt, en
zakken met nog te sorteren spullen.
Ik weet van meer dan één juf die een extra garagebox huurt om alle materiaal
te stallen.
Er kwam echter geen reactie op mijn voorstel.
Ik weet dat er uitgekeken wordt naar de verhuis van de zoon. Ooit zal
zijn huis afgewerkt zijn en dan komt zijn (grote) kamer vrij.
Maar of dat iets zal veranderen aan mijn barstend huis…
Er komt elke week een nieuw thema bij… en een vierkante meter blijft een
vierkante meter…
En de dramatisch kleine kamer (van de dochter) die dan vrijkomt, wacht
op een invasie van een Playstation 3-fan onder de gedaante van het hoofd van
dit gezin…
Dus daar zit ook al geen optie tot extra opslagruimte in…
Ik weet het niet meer.
Ik weet alleen dat mijn badkamer blinkt en dat daar een zee van ruimte
is.
De badkamer is nochtans de tweede kleinste kamer van dit huis.
De kleinste is, inderdaad, ‘de vrolijke vierkante meter’, met name ‘de
wc’.
Wat me deed bedenken, in mijn vlaag van kuiswoede, dat het hier wel erg
gesteld is…
Dat ze zich bij het Ministerie van Onderwijs daar niet bewust van zijn,
en dan maar wat vergaderen over de hervorming van het Secundair, stelt me
teleur.
Ze moesten maar eens komen kijken hoe een beginnende leerkracht, én de medebewoners
van datzelfde huis, worstelen met de stapels educatief materiaal…
Dat verdient minstens een premie, én misschien een maandelijkse
poetshulp…?
Dat lijkt me niet teveel gevraagd. Of is de Propere Heer me naar het hoofd gestegen...?
Ps. Ook de zoon staat in het onderwijs. Basisonderwijs. Met, gelukkig,
minder knutselspullen, maar toch nog een kamer vol mappen en documentatie.
Help!!!
Ik ben een moeder en ik lijd…
donderdag 2 mei 2013
Im wunderschönen Monat Mai…
Dacht ik al meer dan drie jaar dat Schumann’s Dichterlieder enkel voor
die dames bestemd waren die gezegend zijn met een stem, die als het moet, tot een
hoge fa of sol reikt…
(O, ontgoocheling, die mij al zo vaak het zwijgen oplegde omdat ‘meegalmen’
hier geen optie is…)
Vind ik, in mijn zoektocht naar nostalgie en herbeleving van een
memorabele uitzending van Vrije Geluiden, Barbara Sukowa terug…
Ik herinner mij hoe ik destijds gebiologeerd naar het beeld zat te
staren en hoe met haar zang de tranen op mijn schoot belandden…
‘ Ich
hab' im Traum geweinet,
Mir
träumte, du lägest im Grab.
Ich
wachte auf, und die Träne
Floß
noch von der Wange herab.
Ich
hab' im Traum geweinet,
Mir
träumt', du verließest mich.
Ich
wachte auf, und ich weinte
Noch
lange bitterlich.
Een tekstje van niets zou je zeggen…
Even cliché als hoe ik het net braafjes omschreef van die tranen op mijn
schoot.
Maar hoe ze zich in die woorden gooit met heel haar stem en lijf…
Ontdek ik achteraf dat Barbara Sukowa geen klassieke zangeres is, maar
een Duitse actrice. Dat verklaart veel.
Waar haar stem tekortkomt, neemt de inleving en performance het over.
‘Hütchen ab!’
Vind ik, in mijn verdere zoektocht naar uitvoeringen van ‘Ich hab’ im
Traum geweinet’, een versie van Richard Tauber…
Een tenor begot!, maar van het ingetogen kaliber. Tenminste in dit lied.
Geen bewegend beeld. Enkel een foto, het lied, de zang, de klank van een
sobere piano…
Opname uit 1935…, maar o zo mooi in al zijn eenvoud.
Na een paar luisteringen, waag ik mij aan wat meezang…
Kijken of ik me nog altijd ‘tenor(es)’ mag noemen, zoals ik mezelf
vroeger omschreef toen ik bij het koor als ‘vreemd gevogelte’ tussen een partij
mannen stond…
Op het koorzangtoernooi van Oost-Vlaanderen haalden we met ons
drieëntwintigkoppig koortje wel mooi ‘Uitmuntendheid’.
Daarna hield ik het ‘voor gezien’, want qua sociale contacten bleef ik
de bizarre eend.
De vrouwen troepten samen zoals kinderen dat op een speelplaats doen. In
een gesloten kring. Geen doordringen aan.
En de mannen haalden een pint en keuvelden over het voetbal…
Ik dobberde daar wat tussenin, zonder er echt bij te horen.
Die pauzes waren voor mij een ongemakkelijk en onnoodzakelijk kwaad en
deden mij beslissen ermee op te houden.
Na een tijd afwezigheid hoorde ik van een alt dat ik toch gemist werd.
Ik trok mijn wenkbrauwen in een vragende en vertwijfelde frons…
Ik had daar nooit een verhaal opgehangen dat enigszins indruk zou kunnen
hebben gemaakt of dat zou doen wensen naar mijn wekelijkse entertainende
aanwezigheid…
Wellicht kende niemand daar de klank van mijn stem want er was nooit de
gelegenheid geweest om ook maar enige inbreng te hebben in hun conversaties.
Ik stond altijd buiten hun cirkel en niemand die vroeg om erbij te komen.
Mijn pogingen tot toenadering werden genegeerd en zoals ik het toen
aanvoelde, werd de kring dan nog wat meer aangetrokken zodat ik er zeker niet bij kon.
Zij moet mijn verwondering gelezen hebben, die alt, want ze zei
onmiddellijk: ‘Het valt op dat je niet meer bij de tenoren staat.’
En ik dacht al even onmiddellijk: ‘Dat zal wel ja… Geen vrouw meer
tussen de mannen…’
Maar zij ging nog verder: ‘Je hoort zo goed het verschil nu jij er niet
meer als tenor tussenstaat. Ze geven bijna geen klank meer!’.
Ik kan vermoeden dat ik toen mijn wenkbrauwen bijna tot aan mijn
haarlijn optrok…
Ik vermoed dat er duizend vraagtekens in mijn ogen te lezen stonden.
Ik weet dat mijn hoofd suisde van verwondering.
Huch?!
‘Wel ja, jij klinkt meer ‘tenor’ dan die vijf mannen samen!’, zei ze
nog, en of ik geen zin had om weer naar de repetities te komen…
Neen dus. Geen tweede poging.
Nooit meer dat schaapachtig glimlachen tussen de twee vriendencirkels in.
Een tijd later vroeg ze het mij nog een keer en weer heb ik bedankt.
Niets of niemand kan mij nog verleiden om mijn ‘solocarrière’ vaarwel te
zeggen om weer in de massa onzichtbaar te worden.
Die solocarrière beperkt zich
tot wat pogingen tot liedinterpretatie in een kamer zonder publiek.
Het repertoire gaat van jazz, over pop, tot één enkele keer klassiek.
Daar verlies ik me op een podium dat er geen is en haal met gemak de
hoogste noot een tenores waardig:
Ich
hab' im Traum geweinet,
Mir
träumte, du wär'st mir noch gut.
Ich
wachte auf, und noch immer
Strömt
meine Tränenflut.’
Als ik zing, voel ik de tranen niet…
Abonneren op:
Posts (Atom)